Het federale operahuis in de hoofdstad van Europa

DE MUNT LA MONNAIE

In de oprechtheid van het moment.

Interview met Stéphanie d'Oustrac

Thomas Van Deursen
Leestijd
7 min.

Stéphanie d'Oustrac over haar dubbele terugkeer naar de Munt, haar passie voor het Franse repertoire en enkele mooie herinneringen uit haar glansrijke carrière ...

Mijn scherm staat aan. De camera werkt. De microfoon ook. Ik ben te vroeg voor ons virtuele gesprek, dus snel nog even aftoetsen: zit het beeld goed? Zit ik goed? En dan, plots, de zachte en melodieuze stem en het stralende gezicht van de Franse mezzosopraan Stéphanie d'Oustrac. Als ik beken dat ik, na een jaar van videoconferenties, voor het eerst nog eens een overhemd heb aangetrokken, word ik getrakteerd op een schaterlach en een compliment. Een ontspannen inleiding van een gesprek waarin ze vooruitblikt naar haar liedavond en, volgend seizoen, haar titelrol in Carmen ...

Vlak voor de zomer komt u opnieuw naar de Munt voor een recital. Hoe heeft u uw programma proberen samen te stellen?

Ik werk sinds 1994 samen met pianist Pascal Jourdan, mijn recitalpartner. Tijdens onze studiejaren hebben we het grote repertoire uitvoerig verkend en samen onze gemeenschappelijke liefde voor de Franse mélodie en het Duitse lied ontdekt. Dit recital combineert beroemde stukken van Berlioz en Liszt met minder bekend werk van bijvoorbeeld Pauline Viardot. Het weerspiegelt dus in zekere zin onze eerste twee liefdes.

Wie is Pauline Viardot ?

Pauline Viardot (T. А. Neff, 1842)
Pauline Viardot (T. А. Neff, 1842)

Pauline Garcia (bekend onder de naam van haar echtgenoot, Viardot), geboren in 1821, is de jongere zus van de beroemde operazangeres Maria Malibran. Ze volgde pianolessen bij Franz Liszt en speelde quatre-mains met Clara Schumann. Pauline werd de muze van heel wat beroemde componisten: Giacomo Meyerbeer schreef voor haar de rol van Fidès in Le Prophète en Hector Berlioz creëerde speciaal voor haar een Franse versie van Orphée van Gluck. Charles Gounod, wiens carrière ze ondersteund heeft, schreef de opera Sapho met haar in gedachten en Camille Saint-Saëns, die haar stem vergeleek met de smaak van een pomerans, droeg Samson et Dalila aan haar op. Zelf componeerde ze prachtige vocale stukken, enkele kleine instrumentale werken en meerdere operettes die de bewondering genoten van tijdgenoten als Frédéric Chopin, George Sand, Gabriel Fauré en Jules Massenet.

Is er een bijzondere reden waarom het Franse repertoire zo’n bijzondere plaats in uw hart heeft?

Toen ik klein was, luisterden we thuis uiteraard vaak naar muziek van Francis Poulenc – ik ben zijn achterachternicht. Maar over het algemeen ben ik iemand die gevoelig is voor heel veel verschillende kunstvormen, en het is pas op latere leeftijd, aan het conservatorium, dat ik dit repertoire uitgebreid verkend heb, via musici die er meer ervaring mee hadden. Philippe Grammatico, destijds hoofd van de afdeling zang, liet me bijvoorbeeld werken aan de Cinq poèmes de Charles Baudelaire van Debussy. In de loop van mijn carrière is dit repertoire een steeds grotere rol gaan spelen.

Vaak roept de combinatie van piano en stem een gevoel van nostalgie op bij het publiek. Herkent u zich daar, als zangeres, ook in?

Misschien wel, want muziek overstijgt de taal ... Het is grappig: onlangs stuurde een vriend me foto's door van een verlaten kasteel en meteen hoorde ik Brahms, Schumann (lacht)! Ik heb met Pascal laatst opgetreden in de abdij van Royaumont en dit soort historische locaties zijn doordrongen van een heel poëtische sfeer. Bij het zien van een schilderij hoor ik ook vaak muziek. Schoonheid trekt schoonheid aan, denk ik. Toch heb ik de indruk dat een recital beter heel concreet blijft. Het moet verankerd zijn in het heden, in de oprechtheid van het moment ...

Volgend seizoen kijken we uit naar uw vertolking van Carmen, in de unieke productie van regisseur Dmitri Tcherniakov. Hoe kijkt u er tegenaan?

Ik heb in mijn loopbaan weinig reprises gedaan, maar het is een heerlijk vooruitzicht om deze rol te kunnen hernemen en er nog verder in te gaan. Teams veranderen, en ook ik ben niet meer dezelfde persoon. Binnen dat kader zullen Dmitri en ik nieuwe kleuren kunnen vinden. Destijds had ik hem geprikkeld om het personage rechttoe rechtaan aan te pakken. We hebben ons toen erg geamuseerd, en ik ben blij dat ik me weer in de sfeer van deze productie kan onderdompelen.

Carmen zingen, kun je daar ooit genoeg van krijgen?

Wel, nee (lacht)! Vooral als je kunt samenwerken met verschillende regisseurs. Daarom houd ik zo van dit beroep: je kunt de personages blijven doorgronden.

Heeft u bepaalde karaktertrekken gemeen met dit personage?

Niet echt. Ik wil ‘het personage’ ook niet aflijnen, maar het telkens gestalte geven volgens de visie van de regisseur. Ik vraag hen vaak bij het begin van de samenwerking hoe zij zich mijn personage dromen. Vooraleer ze de zangers ontmoeten, lopen ze immers al twee of drie jaar rond met hun ideeën. Daarom probeer ik mijn rollen zo neutraal mogelijk in te studeren, zodat ik hen kan geven wat ze willen. En dat is telkens iets nieuws.

Een recital voorbereiden, doet u dat anders dan bij een grote operavertolking?

In tegenstelling tot opera, een collectieve onderneming waarbij er één verhaal gebracht wordt, is een recital een opeenvolging van kleine momenten vol passie. Je gaat van het ene verhaal naar het andere, en elke mélodie heeft haar eigen wereld. Er is geen regie; het is veel persoonlijker. Pure muzikale expressie. Ik heb wel al vaak zin gehad om concepten voor te stellen waarbij je een recital combineert met bepaalde schilderijen of met wijn, om zo een specifieke sfeer te creëren.

U heeft al heel wat verwezenlijkt. Welke momenten zullen u als zangeres altijd bijblijven?

Soms heb je van die producties waarbij het uitermate goed klikt tussen de regisseur, de zangers, de koorzangers en het orkest. Daar vloeit dan een samenspel uit voort dat gewoonweg uitzonderlijk is. Ik denk bijvoorbeeld aan Armide van Lully in het Théâtre des Champs-Élysées met Robert Carsen, aan mijn eerste Carmen in Rijsel … Aan die producties waarvan je zegt: ‘daarom doe ik het’.

Stéphanie d'Oustrac (Armide) sur la scène du Théâtre des Champs-Élysées
Stéphanie d'Oustrac (Armide) sur la scène du Théâtre des Champs-Élysées © Éric Mahoudeau
Welke nieuwe wegen wilt u nog graag bewandelen in uw verdere carrière?

Binnenkort ga ik experimenteren met belcanto, een heel vocale stijl waar ik een beetje bang voor ben. Dat doe ik samen met een vriendin, Mariame Clément, die instaat voor de regie. Tijdens de lockdown heb ik tijd gehad om na te denken over wat ik allemaal nog wil doen. Misschien ben ik wel toe aan meer kleinschalige, originelere opvoeringen. Je moet blijven verkennen ...

Wat zijn uw oudste herinneringen op het vlak van muziek?

Voor mijn meest gedenkwaardige herinnering moet ik terug naar toen ik elf was. Ik maakte deel uit van een koor en onze koorleider leerde ons om allemaal samen in te zetten, zonder aanwijzing. Dat was een wonderlijke ervaring.

Wat zijn uw mooiste herinneringen aan de Munt?

Ik heb er zoveel. Maar de productie van Orphée met Romeo Castellucci heeft echt een blijvende indruk nagelaten. Hij is zo vriendelijk en zo zachtaardig, je bent nooit meer dezelfde na een van zijn opvoeringen. Het verhaal van deze jonge vrouw die lijdt aan het locked-insyndroom, die we ontmoet hebben en voor wie we gezongen hebben, dat was aangrijpend.

Wat hoopt u bij uw dubbele terugkeer te kunnen ervaren?

Heel veel plezier. Het plezier om muziek te delen met een publiek. Alles wat er momenteel digitaal gebeurt als gevolg van de pandemie is heel goed, maar het mag niet de norm worden. Kunst en zintuiglijk contact met kunst werken therapeutisch. We hebben daar nood aan. De terugkeer van de cultuur is niet alleen wenselijk, het is noodzakelijk.

Deel deze pagina