Het federale operahuis in de hoofdstad van Europa

LA MONNAIE DE MUNT

In dit artikel:
  • De legende waarop de opera van Meyerbeer is gebaseerd
  • De literaire historiek van deze legende
  • De librettobewerking door Scribe en Delavigne 

Met de concertante uitvoeringen van Robert le Diable en The Rake’s Progress schrikt de Munt deze lente niet terug voor infernale figuren van nobele komaf. De eerste Franse opera van Giacomo Meyerbeer put zijn inspiratie uit de middeleeuwse legende van de Normandische hertog Robert. In aanloop naar deze nieuwe Meyerbeer-herontdekking onderzoeken we hoe een fabel uit de mondelinge traditie de eeuwen wist te trotseren en de kiem legde voor een operatriomf in 1831.

Er was eens…

Zoals we verderop nog zullen zien, kende de legende van Robert de Duivel heel wat varianten. De versie die we hier zeer beknopt weergeven, gaat terug op de 19de-eeuwse variant van dit verhaal zoals opgetekend in het boek Légendes pour les enfants van Paul Boiteau (1861), met illustraties door Bertall.

Er was eens in het land van Normandië een dappere hertog die Hubert heette, talloze heldendaden verrichtte en vele goede kwaliteiten en deugden bezat. Daarom drong zijn hof erop aan dat hij zou huwen, zodat zijn nageslacht zou worden verzekerd. Zo kwam het dat hij de onvergelijkelijk knappe en wijze dochter van de hertog van Bourgondië huwde. Het koppel leefde vele jaren gelukkig samen in Normandië, maar bleef kinderloos. De hertogin was ervan overtuigd dat ze God haar haatte en in een vlaag van woede riep ze uit: "Als ik een kind krijg, mag de duivel het hebben." Nog diezelfde dag werd ze zwanger.

Le Ballet de « Robert le Diable », Edgar Degas, 1876
Le Ballet de « Robert le Diable », Edgar Degas, 1876

Al snel na de lastige bevalling ontwikkelde de pasgeborene een voorliefde voor wreedheid en geweld. Hij beet zijn voedsters, sloeg de andere kinderen en schepte genoegen in het geringste kwaad. Het ging zelfs zo ver dat hij zijn schoolmeester met een mes doodde omdat die zijn schrijffouten had verbeterd. Al snel stond hij in de wijde omtrek bekend als Robert de Duivel. Aan de vooravond van zijn zeventiende verjaardag sloeg de hertog zijn zoon tot ridder, in de hoop zo zijn brutaliteit in goede banen te leiden, en hij spoorde hem aan om deel te nemen aan toernooien. Het draaide uit op een regelrechte slachting. Robert was voor niemand bang, viel om het even wie onder zijn ogen kwam aan en vermoordde de ene na de andere zonder ook maar een greintje medelijden te betonen. In zijn moorddadige waanzin vernielde de jongeman met zijn trawanten dorpen, akkers en velden. Door het gedrag van zijn zoon tot wanhoop gedreven, besloot Hubert hem te laten arresteren en in de gevangenis te werpen, maar dat mislukte. Robert verschool zich in een akelig donker bos, waar hij reizigers de keel doorsneed en kooplui aanviel. Zonder enige reden doodde hij er ook totaal ongevaarlijke kluizenaars die in de bossen beschutting hadden gevonden.

Na zovele verwerpelijke wandaden verliet hij als een wildeman het bos, zijn kleren in lompen gescheurd, rood van het bloed van zijn slachtoffers. Van een herder vernam hij dat zijn moeder naar een nabijgelegen kasteel was gekomen. Toen hij op weg ging om haar op te zoeken, merkte hij dat iedereen hem ontvluchtte en begon hij zichzelf in een ander licht te zien. In het kasteel legde de hertogin haar zoon de duivelse oorsprong van zijn geboorte uit en Robert beloofde zijn leven een nieuwe, eerbare richting te geven. Hij trok naar Rome om de vergeving van de paus te bekomen. Die raadde hem aan om bij een heilige kluizenaar boete te gaan doen voor zijn zonden. Robert volgde die raad op. Na lange tijd naar de jonge ridder te hebben geluisterd, vertelde de kluizenaar hem dat hij, om vergeving te bekomen, waanzin zou moeten veinzen, zich aan een zwijgplicht zou moet onderwerpen en in het gezelschap van de honden zou moeten eten, tot zijn schuld zou zijn ingelost. In die staat keerde Robert terug naar Rome, waar de keizer hem onderdak bood. Roberts boetedoening duurde ongeveer zeven jaar, tot de dag waarop hij, gezeten op een opaalkleurig strijdros en uitgerust met blanke zwaarden, zich in een conflict met de Saracenen op het slagveld onderscheidde door zijn vechttalent. De dochter van de keizer herkende in Robert de jonge gek die tussen de honden van het keizerlijk hof leefde en vroeg haar vader om met hem te mogen trouwen. Het jonge echtpaar verliet Rome en trok naar Roberts geboortestreek Normandië, waar hij zijn rang terugkreeg en met eerbewijzen overladen een lang en deugdzaam leven leidde.

"De duivel: nog zo'n onbegrepene!" (Henry de Montherlant)

De oudste geschreven versie van deze legende is het werk van Etienne de Bourbon, die dit verhaal omstreeks 1250 in Latijns proza optekende zonder daarbij specifieke gegevens te vermelden omtrent de herkomst van de protagonist. Het is pas in een latere Franse romance dat het hoofdpersonage wordt beschreven als de zoon van de hertogin van Normandië. Hoewel de fabel ook voorkomt in een aantal 14de-eeuwse mysteriespelen, explodeerde zijn populariteit pas echt na de publicatie, in Lyon in 1496 en in Parijs in 1497, van het boek La Vie du terrible Robert le dyable.

Robert le Diable (trio de l'acte V, scène 3), François-Gabriel Lépaulle, 1835
Robert le Diable (trio de l'acte V, scène 3), François-Gabriel Lépaulle, 1835

Vanaf de 16de eeuw werd deze legende vaak samen uitgegeven met het verhaal van Richard zonder Vrees, hertog van Normandië. Na Frankrijk is het in Spanje, de Nederlanden en Engeland dat we versies van dit verhaal zien opduiken, waaronder de romance in verzen Sir Gowther in de 14de eeuw, Robert deuyll (een vertaling van Wynkyn de Worde), een boek van Thomas Lodge gepubliceerd in 1591 met als titel Robin the Divell, en ook Robrecht den Duyvel, een werk dat in 1621 door de bisschop van Antwerpen werd gecensureerd. De populariteit van deze mythe stak pas in de loop van de 19de eeuw de Rijn over om een plaatsje te veroveren in de Duitse cultuur dankzij de Volksbücher van Joseph Görres en Johann Gottfried von Herder, een heldendicht van Victor von Strauss in 1854 en de parodie op Meyerbeers opera van de hand van W. S. Gilbert in 1868.

Een romantische opfrisbeurt

Eugène Scribe en Germain Delavigne maakten een zeer vrije operabewerking van deze middeleeuwse mythe. Hun libretto stelde zich al tevreden met het overnemen van de beginsituatie (de avonturen van een ridder die voortkwam uit het pact van een vrouw met de duivel) en het uiteindelijke huwelijk van de held met een jonge prinses. De bloeddorstige crimineel uit de legende ruimde evenwel plaats voor een onverantwoordelijke en arrogante jongeman die onbewust het voorwerp is van een strijd tussen goed en kwaad. De auteurs introduceerden de donkere romantiek die kenmerkend was voor de gothic novels die sinds het einde van de 18de eeuw zeer succesvol waren, waarbij ze onder meer het thema van de faustiaanse verleiding hergebruikten. In de opera is het echte duivelse personage, Bertram, evenzeer geïnspireerd door de gelijknamige tragedie in vijf bedrijven van Charles Robert Maturin uit 1816 als door Don Juan of Goethes Mephistopheles. Een van de belangrijkste aspecten van Scribes en Delavignes toe-eigening van de romantische literatuur, is de manier waarop ze, zoals in de romans van Walter Scott, hun hoofdpersonage karakteriseren als een verstoten, afgewezen, naïeve en makkelijk te misleiden held. De semi-passiviteit en ziekelijke onmogelijkheid om beslissingen te nemen laten toe om bredere maatschappelijke kwesties onder de aandacht te brengen, waarbij ze de zeer uitgesproken mannelijke personages die reactionairen of criminelen voorstellen, tegenover de positieve vrouwelijke personages plaatsen waarvan de zuiverheid veelal tot zelfopoffering leidt.

© gallica.bnf.fr / Bibliothèque nationale de France

De oorspronkelijke mythe, opgefrist door de romantische esthetiek, raakte terug in de mode en het is wellicht haar combinatie met een contrastrijke en spectaculaire orkestrale schriftuur die Robert le Diable in 1831 tot zo'n ongelooflijk succes maakte. Misschien zijn dit meteen ook de redenen die ertoe hebben geleid dat hij geleidelijk aan van de operapodia is verdwenen. Meyerbeers opera geraakte uit de mode en vergde een dusdanig grote inzet aan scenografische middelen dat hij vandaag nog maar uiterst zelden ten tonele wordt gevoerd. Onze concertante versie wil dit onrecht herstellen door het publiek de mogelijkheid te bieden om deze partituur in zijn meest zuivere staat te ontdekken en via de schoonheid van de muziek deze "tempel van illusie en wonder" te betreden.

Tekst: Thomas Van Deursen

Vertaling: Koen Van Caekenberghe

Deel deze pagina