Het federale operahuis in de hoofdstad van Europa

LA MONNAIE DE MUNT

Anna Caterina Antonacci, “tragédienne pur sang”

De Italiaanse sopraan Anna Caterina Antonacci is regelmatig te zien op onze scène. Tijdens haar recital in december verkent ze – samen met haar vaste pianist Donald Sulzen en het Strijkkwartet van de Munt – weinig gehoorde Italiaanse en Franse liederen uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. 

Al meteen worden we ondergedompeld in de sfeer van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, de draad van Ariadne die we doorheen heel uw recital zullen volgen. Het was een periode met een weelde aan lexicale eigenaardigheden, zoals in Deità silvane van Ottorino Respighi, op gedichten van Rubino die zelfs voor Italofonen vrij complex zijn...

Dat is het Italiaans van de Scapigliati. De Scapigliatura spoort met het expressionisme van het begin van de 20ste eeuw. De dichters uit die periode trachtten zich doelbewust uit te drukken in een bizarre, weinig courante, zelfs verzonnen taal. Ze hadden een grote voorliefde voor onomatopeeën, die ze bewust uitvonden. Hier gebruikt de dichter Rubino bijvoorbeeld het woord "murmureggiare", dat in geen enkel woordenboek staat maar dat we toch begrijpen, zelfs al hebben we het nog nooit eerder gehoord, omdat de klank van het woord weergeeft wat het betekent. De woorden op zich klinken. Wanneer een klok "tintinna", horen we het geluid van de klok in dat woord. Er is een echte zoektocht naar de muzikale frase, in de eerste betekenis van dit woord (nvdr: frase in de zin van muzikale figuur).

We voelen dat de dichter de muziek van de woorden op zich proeft...

Inderdaad. En bijgevolg is ook Respighi nog interessanter dan gewoonlijk in deze Deità silvane: de complexiteit van zijn harmonisatie echoot die van de verzen. Voor de luisteraar is het zaak de sfeer te proeven die hij wil creëren, meer dan de betekenis van de tekst op zich, die zeer subtiel en complex is zonder evenwel diepzinnig te zijn...

En voor de vertolker?

Deze liederen zijn nogal moeilijk om te zingen omdat er veel woorden zijn... Als er bijvoorbeeld sprake is van een klok die luidt, dan gaan de woorden zeer snel om als het ware die klok te imiteren. Of wanneer nimfen wegsnellen, achtervolgd door saters, dan is het als een achtervolgingskoers met woorden, in een zeer snel gezang.

Daarna volgt de compositieleraar van Respighi, Giuseppe Martucci, een weinig bekend componist die maar zelden in concerten aan bod komt... Hoe heeft u hem ontdekt?

Ik ken Martucci sinds zowat vijftien jaar, ik zong zijn La Canzone dei ricordi al meermaals met orkest, onder meer ook in Brussel voor de Munt in 2010. Het is Riccardo Muti die me liet kennismaken met dit symfonisch gedicht, waar hij veel van houdt. Maar ik heb het nooit met hem uitgevoerd. Zoals Respighi schetst Martucci een wat vreemd beeld van Italië. Hoewel het echte Italiaanse melodieën zijn, letterlijk echt melodieus, kunnen we ze niet zomaar thuisbrengen bij de toenmalige opera zoals wij die kennen. Het gaat veeleer om kamermuziek, muziek die naar de moderniteit neigt, met een verfijnder karakter en dus, voor mij, interessanter.

Ook hier creëren de natuur en haar geluiden een klanksfeer voor het verhaal. Het thema zullen we ook aantreffen in het tweede deel van dit recital, in de compositie van Chausson: het is het verhaal over een liefde die spaak loopt en het spijt dat daaruit voortkomt.

Daarna krijgen we liederen te horen van Nadia Boulanger. Ze heeft er een hele hoop geschreven. Koos u gewoonweg de mooiste?

Ja, ik koos de liederen die ik het mooiste vind, maar ik zorgde er wel voor dat ik een gevarieerde keuze maakte, want de meeste van haar liederen zijn eerder somber van aard. Zij is een componiste waar ik veel van hou, hoewel ik ze pas onlangs leerde kennen. Ik kende haar zus Lili eerder. Ik vind haar stijl zeer interessant en gecultiveerd.

Je voelt dat deze liederen door een vrouw zijn geschreven...

Dat klopt. Het zijn zeer delicate liederen: de vrouwelijkheid is zeer tastbaar en raakt ons. Haar schriftuur heeft een fraaie sensibiliteit.

Het tweede deel van dit recital is volledig gewijd aan het Poème de l’amour et de la mer, een compositie waar Ernest Chausson tien jaar aan schreef. Vinden we dat rijpingsproces terug in de schriftuur?

Ja, je hoort zeer duidelijk de grote Duitse muziek: echo's van Wagner en Mahler. De harmonisatie is magnifiek en in de versie met orkest mengt de stem zich perfect met het orkestrale klank. We brengen niet de versie voor orkest, dus de stem en het gebrachte verhaal zullen wellicht wat meer opvallen. Maar de kundige harmonisatie is nog steeds present.

Het is alleszins een mooie terugkeer naar de bronnen, want de eerste uitvoering van stuk, voor de creatie met orkest in Parijs, had plaats in 1893, in Brussel! Chausson zelf zat aan de piano en begeleidde een tenor...

Ah! En dat is logisch, want het is een man die over een vrouw vertelt. Maar in wezen is het onderwerp neutraal: het gaat om een universeel liefdesverhaal, dus het doet er niet echt toe of het onderwerp mannelijk of vrouwelijk is...

Hoe interpreteert u de tekst?

Het is een veeleer rijpe visie op een liefdesverhaal dat aanvangt, een hoogtepunt beleeft en eindigt, en dan is er de herinnering met de nodige afstand. We maken de ontgoocheling mee en het verdriet en dan volgt Le temps des lilas: de melancholie om de voorbije liefde.

Le temps des lilas… Die vier verzen waarmee het gedicht eindigt, werden door de componist overgenomen als een volwaardige melodie. Is dit het mooiste deel van het werk?

Ik vind dat de drie delen zeer evenwichtig zijn. De finale is inderdaad melodischer, terwijl in de andere delen het orkest werkelijk dialogeert met de stem. Maar heel de compositie is bijzonder mooi. Voor mij is dit een van de allermooiste werken voor stem en orkest ooit geschreven.

Opgetekend door Charlotte Panouclias
Vertaling door Koen Van Caekenberghe

 

Deel deze pagina