Het federale operahuis in de hoofdstad van Europa

LA MONNAIE DE MUNT

Nous, on veut chanter !

Stefano Poletto leidt koorateliers in drie Belgische gevangenissen

Al tien jaar lang laat de koorleider van ons sociaal programma ‘Een brug tussen twee werelden’ al zingend vonkjes oplaaien en overspringen bij gedetineerden in verschillende Belgische gevangenissen. Gesprek met een muzikale brandversneller.

© Noëlle Fontaine

“Waarom ga ik die donkere cellen van criminelen binnen, hun geesten binnen? Ik vind er een goddelijk vonkje. De misdaden die ze gepleegd hebben, kan je niet van hun voorhoofd wissen, maar net zo min zal je dat goddelijke vonkje kunnen uitdoven!” Als er vandaag iemand Janáčeks motto voor Uit een dodenhuis kan claimen voor zijn eigen werk, dan Stefano Poletto. Al tien jaar lang laat de koorleider van ons sociaal programma ‘Een brug tussen twee werelden’ al zingend vonkjes oplaaien en overspringen bij gedetineerden in verschillende Belgische gevangenissen. Er is nood aan.

Wat denkt een jonge muzikant als de Munt hem vraagt om aan de slag te gaan in enkele gevangenissen?

Ik moet toegeven dat ik toch twee keer heb nagedacht. Mijn parcours was tot dan toe vrij klassiek: studies hobo en daarna orkestdirectie op het conservatorium, vervolgens twee jaar ervaring als koorleider bij de andere zangateliers van ‘Een brug tussen twee werelden’. Een gevangenis was voor mij terra incognita, maar, vooral, ik had geen enkel idee hoe ik pedagogisch te werk kon gaan. Dat heb ik allemaal gaandeweg moeten ontdekken. De eerste, technische aanpak heeft ongeveer vijf minuten geduurd, tot een boom van een vent zich rechtte en duidelijk maakte: “Nous, on veut chanter!” Weg met het bord theoretisch uitleg over de ademhaling en de functie van het diafragma (lacht).

Hoe gaat u dan wel te werk?

Dat verschilt van groep tot groep. Ik kom in drie totaal verschillende instellingen: een mannengevangenis met psychiatrische afdeling in Sint-Gillis, de vrouwengevangenis van Berkendael en een detentiecentrum voor jongeren in Kasteelbrakel. Door die grote verscheidenheid kan je onmogelijk zweren bij één enkele methodologie. Het gaat erom sleutels aan te reiken, zodat de deelnemers zelf zo snel mogelijk kunnen genieten van het plezier om een nummer te kunnen brengen. Eén ding staat vast: we vertrekken steeds vanuit de specifieke muzieknummers. Het is daarom belangrijk dat iedereen zich in de muziek en de teksten kan vinden. Elke deelnemer kan zelf suggesties doen en alle stijlen en talen zijn welkom: we zingen popsongs, traditionele volksliederen, klassiek, reggae… Noem maar op. Enkel voor rapmuziek maak ik een uitzondering, want binnen dat genre zijn ze wandelende encyclopedieën. Daarin kan ik hen absoluut niets meer bijbrengen.

Wat voor nummers halen het vaak?

Grofweg twee soorten: enerzijds muziek waarmee de deelnemers zich identificeren, omdat ze sterke emoties oproept of omdat de tekst erg herkenbaar is; anderzijds nummers die ze gewoon erg graag horen, maar waarbij ze niet meteen weten hoe ze die zelf kunnen brengen. Zo ontstaat er een project, een te realiseren doel, waarbij ik hen terzijde sta met mijn piano en gitaar. Er komt veel bij kijken. We werken op de teksten en leren ze van buiten. We graven naar de betekenis van de muziek, naar de essentie van een bepaalde muziekstijl. Waarom wordt reggae gedreven door de tegenmaat? Waarom wordt bij dit soort tekst gekozen voor dat instrument? We leren ritmes aan, de structurele opbouw van een lied in strofes en refrein. Maar vooral: we repeteren en blijven repeteren. Tot we de muziek helemaal bezitten.

Een langetermijnproject dus.

We werken per seizoen. In oktober beginnen we een boog op te spannen die in juni moet uitlopen op een voltreffer van een concert in het bijzijn van collega-gevangenen en externe bezoekers. Dat vooropgestelde doel motiveert enorm, maar de steeds wisselende samenstelling van de deelnemers maakt het niet altijd eenvoudig. Dat geldt vooral voor de instellingen waar veel mensen in voorarrest zitten en voor Kasteelbrakel, waar de jongeren normaal niet langer dan één jaar blijven. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Ik heb soms kinderen van negen jaar in mijn groep en dat doet toch pijn om te zien.

Ik merk aan de reacties van de buitenwereld dat mijn werk nog steeds niet vanzelfsprekend is.

Belangrijker nog dan het eindresultaat is het feit dat we in iedere deelnemer, zelfs al komt die maar één keer, een zaadje planten: het idee dat er net om de hoek een oneindig muzikaal universum is dat wacht om ontdekt te worden. De overgrote meerderheid van gevangenen komt uit kansarme milieus en hebben nooit de kans gekregen om muziek te ontdekken. Sommigen werd het zelfs expliciet verboden om muziek te beoefenen. In de zangateliers probeer ik die verschillende blokkeringen en frustraties op te heffen. Het voornaamste is dat ze het aandurven, dat ze proberen. Als we daarin slagen, hebben we al een grote overwinning geboekt, een spiraal van negativiteit doorbroken. Soms moet je daarbij al eens tegen vooroordelen vechten, zeker bij de mannen, maar dat geldt eigenlijk evengoed buiten de gevangenis. Ik moet voor mijn eigen koor ook constant gaan bedelen om tenoren en bassen (lacht).

© Mael G. Lagadec
Hoe moeilijk valt het u om deze mensen zelf onbevooroordeeld tegemoet te treden?

Het is voor mij net zoals buiten de gevangenismuren: er komt iemand naar me toe die wil meedoen met onze workshops, en samen duiken we de muziek in. Enkel het kader is anders. Het helpt uiteraard dat ik over deze gedetineerden niets meer weet dan hun naam. Ik wil hun achtergrond en strafblad ook bewust niet kennen. Het helpt niemand vooruit en ik doe het ook om mij te beschermen. Ooit ben op het internet per toeval op het misdrijf van iemand gebotst, en daar ben je toch even niet goed van.

Cultuur is óók een vorm van therapie.

Ik merk aan de reacties van de buitenwereld dat mijn werk nog steeds niet vanzelfsprekend is. We hebben met z’n allen zo’n karikaturaal, bijna abstract beeld van gevangenen en wat er zich in een gevangenis afspeelt, dat iedereen die ermee in contact komt – of je nu een cipier bent of een kooratelier leidt – een soort uitzonderingsstatus krijgt. Als eerste reactie krijg ik daarom vaak een verwonderde ‘wow’, maar die slaat na enkele woordjes uitleg altijd om in enthousiasme: “wat goed dat dit gedaan wordt!”

Waarin ligt dan volgens u precies het belang van deze koorateliers? In het tweede bedrijf van Uit een dodenhuis ventileren de gevangenen hun emoties, verlangens en frustraties aan de hand van een toneelopvoering. Er komt daarbij heel wat los. Is cultuur vooral een vorm van therapie?

Het is óók een vorm van therapie. Bij een gevangene denken de meeste mensen onwillekeurig aan een stoere, getatoeëerde bonk, die zichzelf bewust buiten de maatschappij heeft geplaatst. Wat zou koorzang voor hem kunnen betekenen? Ze bestaan ongetwijfeld, die gedetineerden, maar het merendeel zit in een totaal andere, veel kwetsbaardere positie. Mensen die op het verkeerde moment door de verkeerde gevoelens werden overvallen en daar nu in het reine mee moeten komen. Betekeniszoekers zoals u en ik, maar met een veel zwaardere emotionele ballast. Ik zie wat muziek in hen naar boven brengt. Ik zie hoe mannen in huilen uitbarsten omdat het nummer Petite Marie van Francis Cabrel hen doet herinneren aan hun dochtertje dat ze nooit meer zien, dat daarbuiten opgroeit zonder hen.

Het omgekeerde kan uiteraard ook: even helemaal niet meer moeten denken aan alle problemen, twee uurtjes lang enkel maar bezig zijn met muziek. Een duik in een volledig andere wereld, die hen niet omvat, maar waarin ze zelf op ontdekking kunnen, agency hebben. Het verschil tussen de gezichten die de repetitieruimte binnenstappen en er twee uur later terug buitenstappen is groot. Daarvoor zorgt ook het fysieke aspect van zang. Veel gedetineerden bewegen erg weinig en hebben een gesloten, gespannen lichaamshouding. We beginnen daarom steeds met ademhalingsoefeningen en het ontspannen van de spieren. On rigole beaucoup, want dat maakt het diafragma los, zet de longen open en bevordert de zuurstofwisseling in het lichaam. Pure detentiedetox.

Zijn er aspecten aan uw werk die u graag zou willen veranderen, droomprojecten die u ooit gerealiseerd hoopt te zien?

Ik zou de band tussen de correctionele wereld en de buitenwereld soms nog wat nauwer willen aanhalen. We hebben in het verleden al fantastische ervaringen gehad met synergetische projecten. Ik denk bijvoorbeeld aan de composities van enkele gedetineerden uit Sint-Gillis, die in de Munt door de andere koren van ‘Een brug’ werden ingezongen. De opname van dat concert hebben we dan op zijn beurt laten horen in de gevangenis. Het zou fijn zijn mocht zoiets vaker kunnen. Ik denk maar luidop: een zanger van de Munt die naar de gevangenis trekt en er een project opzet waarmee de gevangenen op hun beurt aan de buitenwereld kunnen tonen tot wat ze in staat zijn. Momenten van osmose, waarbij muziek de fysieke en mentale muren eventjes doorlatend maakt.

Deel deze pagina