Opera in drie bedrijven. Libretto van de componist naar De storm van Alexander Nikolajevitsj Ostrovski in de Tsjechische vertaling van Vincenc Cˇervinka
Creatie Nationaal Theater, Brno, 23/11/1921
eerste bedrijf
In Kalinov, een stadje aan de oevers van de Wolga, verwondert Kudrjáš zich over de schoonheid van de rivier, in het bijzijn van de dienstmeid Gláša, die zijn enthousiasme niet deelt. De koopman Dikoj staat voor de zoveelste keer zijn neef Boris, een jonge student uit Moskou, uit te schelden. Kudrjáš verneemt dat Boris verplicht is om zijn oom het grootste respect te betuigen, anders krijgen hij en zijn zus de erfenis van hun grootmoeder niet wanneer ze meerderjarig worden. Boris betreurt dat hij zijn jeugdjaren zo moet vergooien. En alsof deze ellende nog niet genoeg is, is hij ook nog verliefd geworden op een getrouwde vrouw, wier engelachtige glimlach tijdens het bidden hem heeft bekoord. Ze heet Kát’a Kabanová. Kudrjáš waarschuwt Boris voor deze liefde. Kát’a, haar echtgenoot Tichon, haar schoonmoeder Kabanicha en de adoptiedochter van de Kabanovs, Varvara, komen terug van de mis, samen met hun dienstmeiden Gláša, Grunja en de bigotte Fekluša. Kabanicha beveelt haar zoon de stad onmiddellijk te verlaten om naar de markt in Kazan te gaan. Gedwee gehoorzaamt hij zijn moeder. Daarnaast verwijt Kabanicha hem niet meer van haar te houden sinds zijn huwelijk. Wanneer ze haar liefde benadrukt voor Tichon en Kabanicha, die ze als haar eigen moeder beschouwt, oogst Kát’a enkel nog meer verwijten van haar schoonmoeder. Kabanicha kan niet begrijpen waarom Kát’a zich niet aan de conventies houdt. Het komt tot een hevige ruzie. Varvara verwijt Tichon onomwonden zijn lafheid: hij is niet in staat om zijn vrouw te verdedigen tegenover zijn moeder, en denkt alleen maar aan drinken.
Kát’a en Varvara keuvelen met elkaar in een kamer. Kát’a herinnert zich haar jeugd, toen ze een zorgeloos leven leidde, vrij als een vogeltje. Varvara maakt zich zorgen over Kát’a, die zelf voelt dat ze een zonde kan begaan. Kát’a bekent Varvara dat ze van een andere man houdt en schrikt van haar gevoelens. Tichon komt aan, klaar om op reis te vertrekken. Kát’a klampt zich aan hem vast en smeekt hem om te blijven of haar mee te nemen – ze verkrampt bij de gedachte om alleen achter te blijven. Tichon ergert zich aan het gedrag van zijn vrouw, die anders zo ingetogen is. Kát’a wijst hem erop dat er onheil van zal komen. Ze vraagt hem om van haar een eed te eisen: dat zij in zijn afwezigheid geen enkele vreemdeling aanspreekt, niemand ontmoet en zelfs niet durft denken aan iemand anders. Tichon is geïrriteerd en begrijpt haar niet. Kabanicha meldt dat het tijd is om te vertrekken. Onbewogen wacht Tichon op de bevelen van zijn moeder, die hem verplicht om het gedrag van zijn vrouw tijdens zijn afwezigheid vast te leggen. Op een autoritaire manier formuleert Kabanicha een aantal instructies, die haar zoon onderdanig herhaalt. Vervolgens beveelt ze hem te vertrekken.
tweede bedrijf
Kabanicha, Kát’a, Varvara en de drie dienstmeiden zitten aan tafel. Kabanicha verwijt Kát’a op een scherpe manier niet te lijden onder de afwezigheid van haar echtgenoot, terwijl ze er net prat op ging zo veel van hem te houden; ze zou op z’n minst kunnen doen alsof. Varvara beslist om te gaan wandelen. Ze heeft een sleutel van haar moeder gestolen, die van het tuinpoortje. Ze vertelt Kát’a dat ze aan Boris zal vragen om haar daar te ontmoeten. Kát’a voelt het onheil naderen en vecht tegen haar gevoelens. Wanneer ze de stem van Kabanicha hoort, schrikt ze op, grijpt ze de sleutel en verbergt ze deze snel. Uit dit gebaar beseft ze hoe reëel haar verlangen is om Boris te ontmoeten. Dikoj en Kabanicha ontmoeten elkaar. Hij wil dat zij zich over hem ontfermt zoals alleen zij dat kan, om zijn laffe en zwakke ziel tot rust te brengen.
Kudrjáš wacht Varvara op. Hij wordt onrustig omdat het de eerste keer is dat ze te laat is op één van hun afspraken. Boris verschijnt en bekent Kudrjáš dat een jong meisje hem heeft gevraagd om naar deze plaats te komen. Kudrjáš herinnert hem aan zijn waarschuwing om onbezonnen verliefd te worden op de getrouwde Kát’a. De twee mannen ergeren zich aan elkaars aanwezigheid, tot Varvara haar komst aankondigt, aan de hand van een teken dat enkel Kudrjáš kent. Ze gaat naar Boris toe en vraagt hem om te wachten. Vervolgens vertrekt ze met Kudrjáš. Boris heeft het afspraakje van beide geliefden door. Hij vraagt zich af wat hem te wachten staat en is opgewonden. Kát’a verschijnt. Boris verklaart haar onmiddellijk zijn liefde, maar Kát’a stoot hem af. De zonde die ze zou kunnen begaan, schrikt haar af, maar ze voelt tegelijk dat het onvermijdelijk is. Ze probeert te weerstaan, maar haar verlangen is te sterk. Kát’a omhelst Boris en ze houden elkaar innig vast. Vervolgens verwijderen ze zich, terwijl Varvara hen op het hart drukt dat Kudrjáš hen zal roepen wanneer het tijd is om naar huis te gaan. Kudrjáš maakt Varvara duidelijk hoe gevaarlijk dit afspraakje is. Wat als Kabanicha achter het bedrog komt? Varvara ziet haar fout in en vraagt Kudrjáš om Kát’a en Boris te roepen. Ze komen terug. Kát’a vertrekt alleen.
derde bedrijf
Enkele dagen later. Kudrjáš en zijn vriend Kuligin leveren commentaar op de storm en op het beeld van de hel dat zich voor hen aandient. Dikoj verschijnt, verschrikt door wat er gaande is. Hij is ervan overtuigd dat de storm een goddelijke straf is, en gaat in discussie met Kudrjáš, die er slechts een natuurverschijnsel in ziet. Varvara verwittigt Boris dat Tichon is teruggekomen en dat Kát’a zichzelf niet meer in de hand heeft. Varvara is bang dat Kát’a hun verhouding aan haar echtgenoot bekent. Kát’a voorvoelt dat de nakende storm haar eigen dood aankondigt en voelt zich verplicht om haar zonde te bekennen. Op het ogenblik dat ze de naam van haar minnaar onthult, stapt Boris op. Tichon is terneergeslagen, terwijl de steeds wreder wordende Kabanicha hem toeroept dat hij oogst wat hij gezaaid heeft.
Tichon is buiten zichzelf. Hij weet niet hoe hij moet reageren, maar hij weet dat hij nog van Kát’a houdt. Zonder er werkelijk in te geloven, overwegen Varvara en Kudrjáš de enige oplossing om aan de greep van Kabanicha te ontkomen: wegvluchten. Kát’a is ontredderd en reeds niet meer van deze wereld. Wanhopig roept ze Boris, die voor een laatste keer verschijnt. Verward vraagt ze Boris om haar mee te nemen. Ze neemt haar woorden vervolgens terug. Boris moet vertrekken. Hij is reeds vervreemd van Kát’a, de vrouw die hem met haar engelachtige glimlach had bekoord. Zodra ze alleen is, begint Kát’a te dromen van de bloemen die haar graf zullen bedekken en de vogeltjes errond. Ze pleegt zelfmoord, en voltrekt zo het lot dat voor haar al lang onvermijdelijk was. Tichon geeft Kabanicha de schuld van Kát’a’s dood. Kabanicha zelf bedankt de omstaanders voor hun “goede zorgen”.