Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Concert

Filtreren op media: 

Carlo Rizzi

Interview Carlo Rizzi

De Munt - Interview Carlo Rizzi

Nadat hij op succesvolle wijze het Symfonieorkest van de Munt dirigeerde in Puccini’s Manon Lescaut, sluit Carlo Rizzi het seizoen af met een bijzonder concert waarin uitsluitend werk van Pjotr Iljitsj Tsjajkovski op het programma staat. Zowel het Eerste pianoconcerto als de Zesde symfonie – de zogenaamde ‘Pathetische’ – kenden een onafgebroken populariteit bij publiek en bij uitvoerders, en behoren tot de meest iconische werken van de componist.

U bent regelmatig te gast in de symfonische reeks van de Munt, met werk van Tsjajkovski. Kan u ons de context van deze cyclus schetsen?

Toen Peter de Caluwe me vroeg om in de Munt operaproducties te komen dirigeren, kwam in onze gesprekken aan bod dat het belangrijk is om met een operaorkest ook grote symfonische programma’s te brengen. Zo is het idee van een project over verschillende seizoenen heen ontstaan. Zelf heb ik een voorliefde voor Tsjajkovski. Niet alleen omdat hij een fantastisch componist is, maar ook omdat ik bij de Russische maestro Vladimir Delman gestudeerd heb. Samen met hem heb ik alle Tsjajkovski-symfonieën gedaan – iets wat mijn loopbaan sterk beïnvloed heeft.

Helpt het opzetten van een cyclus om inzicht te geven in het oeuvre van een componist?

Tijdens het concert zelf is het cyclus-idee van ondergeschikt belang. Over de concerten heen kan het publiek zich wel een idee vormen van de evolutie die een componist doormaakt. In het bijzonder in Tsjajkovski’s laatste drie symfonieën zie ik een grote ontwikkeling, niet alleen in de schrijfwijze, maar zeker ook qua opvatting van het genre. De Zesde symfonie die nu op het programma staat, is erg verschillend van de andere. Het einde van de andere symfonieën liet nog altijd plaats voor de hoop. Na de Zesde is er zelfs dat niet meer! Ik ben natuurlijk niet de eerste die dit beweert…

Hoe pak je een programma als dit aan, met maar liefst twee emblematische stukken, die allebei publiekslievelingen zijn?

Het Eerste pianoconcerto en de Zesde symfonie van Tsjajkovski behoren inderdaad tot de meest uitgevoerde stukken in hun genres, maar hun populariteit mag geen afbreuk doen aan hun waarde. Het Eerste pianoconcerto is een fenomenaal meesterwerk, met een sterk symfonische dimensie. Tsjajkovski’s benadering van de relatie tussen solist en orkest is grondig verschillend van deze van een Chopin bijvoorbeeld, wiens concerto’s zeer solistisch georiënteerd zijn. Bij Tsjajkovski is er een grote interactie tussen de solist en het orkest, dat meer doet dan louter begeleiden. Natuurlijk is het een erg veeleisend stuk voor de solist: het is lang, het vraagt veel fysieke power om tegen het orkest op te kunnen, en je hebt 12 vingers nodig om het gespeeld te krijgen! Maar er is een dialoog, en dat maakt het interessant om dit werk te dirigeren. Bovendien kijk ik er ongelofelijk naar uit om dit werk met Elisabeth Leonskaja uit te voeren, vanwege haar grote muzikaliteit, haar zin voor detail, haar gevoel voor lyriek.

En de Zesde symfonie?

Ik heb al vaak de Vierde, Vijfde en Zesde symfonie gedirigeerd. De Zesde is uitzonderlijk in de zin dat ze me uitput: niet zozeer fysiek, maar eerder mentaal. De sleutel ligt in de derde beweging, en niet zozeer in het ongewone Adagio lamentoso dat als finale dienst doet. De derde beweging wordt soms zeer triomfantelijk gebracht. Maar hoe rijm je dat met de vierde beweging, het Adagio lamentoso dat daarop volgt? Als je het derde deel echter als een eindstrijd of overlevingsstrijd opvat, dan krijgt de finale haar bestaansreden: het is een lamento na de strijd. De derde beweging begint als het ware vanuit het niets, bouwt dan stilaan op, met het kenmerkende ritmische thema dat steeds dreigender wordt, onontkoombaar, meedogenloos, tot de allerlaatste vier noten, die als een machinegeweer weerklinken. Ik zou willen dat het publiek op dat moment ademloos aan zijn stoel genageld zit. De daaropvolgende finale is een smeekbede, een poging om de klok terug te draaien. Maar de fameuze gongslag geeft aan dat dit niet zal gebeuren… de muziek sterft uit, elk teken van leven verdwijnt en enkel de dood blijft overeind. Daarin zit een groot verschil met de vorige symfonieën van Tsjajkovski. In de Vijfde symfonie bijvoorbeeld, wordt het centrale thema van het werk ook wel dreigend gebruikt, met name in de derde beweging, maar de finale staat in majeur en eindigt als een overwinning. Dat is niet het geval bij de Zesde. Ik voel er een strijd in, een dramatische reis, de poging om iets te ondernemen, gevolgd door het verlies van alle hoop, het verlies van alles.

Hoe ziet u dan de tweede, wals-achtige beweging?

Ondanks wat ik net verteld heb, is het niet mijn bedoeling om deze muziek volledig uit te leggen (lacht). Maar één aspect van de tweede beweging wil ik wel aanhalen: deze staat genoteerd in 5/4, wat ongebruikelijk is. Het is prachtige muziek, maar door de maatsoort schemert er een onvast gevoel door, een soort van instabiliteit, die je wellicht niet meteen detecteert. Tsjajkovski schrijft hier prachtige, melodische muziek, maar het is ook meteen duidelijk dat hij niet mikt op ‘easy-listening’. Dat blijkt ook uit het begin van de symfonie, die opbouwt vanuit een klein motief in de fagot, een motief dat geleidelijk aan getransformeerd wordt en gevolgd wordt door andere, even insisterende motieven (bijvoorbeeld in de altviolen). Al deze zaken probeer ik in deze muziek te portretteren. Natuurlijk kan je deze muziek brengen ‘con bravura brillante’! Maar volgens mij mis je dan de essentie van deze symfonie. Een essentie die beter te benaderen is door Tsjajkovski’s precieze aanwijzingen op het vlak van dynamiek en tempo te volgen, dan door effectbejag.

Opgetekend door Marie Mergeay

article - 22.5.2013

 

Carlo Rizzi
Concert

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt
culturele
black-out