Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Ludovic Morlot

Filtreren op media: 

Ludovic Morlot

Portret Ludovic Morlot

De Munt - Portret Ludovic Morlot

Zijn muzikale intelligentie en intuïtie, het enthousiasme waarmee hij aan het werk gaat met prestigieuze orkesten in de Verenigde Staten en in Europa, zijn wens om zijn passie met zoveel mogelijk te delen... het zijn enkele van de kwaliteiten die Ludovic Morlot een van de fascinerendste dirigenten van zijn generatie maken. In de loop van het seizoen 2012-2013 zal het Brusselse publiek vaak de kans krijgen hem aan het werk te zien met het Symfonieorkest van de Munt: in een concert met het zelden opgevoerde Requiem van Alfred Bruneau voorafgegaan door Alban Bergs Violinkonzert „Dem Andenken eines Engels“ in november en in de opera’s Pelléas et Mélisande en Così fan tutte in de lente. Als nieuwe vaste dirigent van het Muntorkest zal hij ons artistieke project voeden met zijn ervaring, zijn talent en zijn visie. De Amerikaanse criticus David Mermelstein, een bevoorrechte getuige van Morlots pijlsnelle opmars in de VS, schetst voor het MMM een beklijvend portret van de Franse dirigent.

Ludovic Morlot is een uitzonderlijk musicus, een dirigent die zowel bescheiden is als zelfverzekerd. Binnen de nieuwe lichting dirigenten valt hij op dankzij zijn ruimdenkende intelligentie, aangeboren muzikaliteit, de diversiteit van zijn repertoire, zijn streven naar publieksverruiming, en – misschien wel het allerbelangrijkst – zijn openheid en aanspreekbaarheid. Op de leeftijd van achtendertig (vrij jong in de wereld der dirigenten, waarin grote namen de tachtig vaak al ver voorbij zijn) bekleedt Morlot al twee totaal verschillende topfuncties. Het afgelopen seizoen volgde hij Gerard Schwarz op als muziekdirecteur van het Seattle Symphony. En dit seizoen neemt hij de functie op van vaste dirigent in de Munt.

Deze opsplitsing tussen het symfonische en operarepertoire is geen toeval, want Morlot heeft een duidelijke kijk op de manier waarop beide vormen van elkaar verschillen en elkaar tegelijk aanvullen. “Het feit dat ik vandaag beide kan combineren, is precies waar ik altijd al van heb gedroomd”, vertelt hij bij een stevige lunch in Chicago, begin juni. Hij was toen in de hoofdstad van de Amerikaanse Midwest om het Chicago Symphony Orchestra te dirigeren, waarmee hij sinds zijn debuut in 2006, toen hij de zieke Riccardo Muti verving, een warme relatie heeft opgebouwd. “Het is ook leuk om twee totaal verschillende werktempo’s te hebben”, voegt hij daaraan toe. “Met opera kun je zes weken op één plaats blijven, in tegenstelling tot één week voor de meeste symfonische programma’s”.

Morlot vermeldt ‘groei’ als ‘stuwende kracht’ achter zijn carrière. “Ik ben nog geen veertig,” vertelt hij. “Maar hoewel ik het ongelofelijk druk heb, wil ik toch in het achterhoofd houden waar ik over twintig jaar wil staan. Het dirigeren van opera’s geeft me tijd om na te denken en maakt me bedachtzamer. Tijd is in die constellatie niet echt een vijand. Al de tijd die je doorbrengt met de zangers – mensen die je uitdagen met tal van vragen – verplicht je om na te denken. Je krijgt niet alleen te maken met de partituur. Wanneer je een symfonisch programma voorbereidt, weet je dat je maar een beperkte hoeveelheid tijd hebt om het waar te maken. Je kunt in het midden van de repetities voor een symfonie van Brahms niet meer plots van gedachten veranderen. Dat kun je pas de volgende keer doen. Opera is iets totaal anders. Het zou dom zijn als je niet met beide handen de kans zou aangrijpen om iets te leren van die bepaalde zanger, dirigent of lichtontwerper. Bij opera krijg je de tijd om een idee uit te proberen, ervoor te kiezen of het te laten liggen, erover te discussiëren. En dat stemt overeen met het groeipatroon dat ik nastreef. Voor mij is dat de echte aantrekkingskracht van de functie in Brussel. Al is dat best egoïstisch, vermoed ik, al die aandacht voor groei.”

Er zijn natuurlijk nog andere redenen voor de aantrekkingskracht van de opera. “Hoe meer risico’s je neemt, des te subliemer het resultaat kan worden,” aldus de dirigent. “Dat is de schoonheid van opera of theater. Het kan je verwachtingen overtreffen. Er is altijd een onbekend aspect. Je brengt alles samen waarvan je denkt dat het kan werken, en dan is er altijd nog de mogelijkheid dat er iets magisch gebeurt. Met symfonische muziek werk je hard om je doel te bereiken, maar je weet van tevoren wat je van al dat harde werk kunt verwachten.”

Het verhaal achter zijn benoeming bij de Munt, waar hij ten minste voor vijf jaar wordt aangesteld, valt in grote lijnen samen met de manier waarop dit in Seattle gebeurde: een nauw contact met de muzikanten, bijna onmiddellijk gevolgd door het aanbod om het roer in handen te nemen. “Ik had een concert gedaan bij de Munt, geen opera,” herinnert Morlot zich. Het orkest van de Munt maakte zich zorgen over het feit dat ik nog niet veel opera’s had gedirigeerd. Maar ik had al opera gedaan in Parijs en in Lyon. En vele musici kwam luisteren toen ik het Concertgebouworkest in Brugge dirigeerde. Bij dit soort relaties is het altijd fantastisch als ook het orkest, en niet alleen het management, erop gebrand is de deal te sluiten.”

Hoewel Morlot het dirigeren van symfonieën en opera’s niet met elkaar gelijkstelt, vindt hij beide uitdagingen toch ook weer niet volledig tegenovergesteld. “Het dirigeren van een symfonie of een opera zijn uiteraard twee totaal verschillende dingen”, verduidelijkt hij. “Maar ik heb genoeg met zangers gewerkt en ik voel me op mijn gemak in de orkestbak. Je leert het ook door het te doen. Ik geloof niet in de opvatting: “hij is een schitterend operadirigent, maar kan geen symfonieën dirigeren”. Dat bestaat niet. Bernard Haitink doet het allebei. Georg Solti deed het allebei. Rafael Kubelik dirigeerde opera’s en concertmuziek, net als Herbert von Karajan. Elke dirigent van dat niveau kan beide genres aan.”

De dirigent kijkt uiteraard uit naar tal van de taken die gepaard gaan met de functie van chef-dirigent, zoals het mee bepalen van de repertoirekeuze en de casting-beslissingen in het huis. Maar Morlot heeft nog andere dingen aan zijn hoofd, en ook hier weer liggen zijn plannen voor Brussel in het verlengde van de situatie in Seattle, waar hij aan de basis ligt van heel wat inspanningen om het bereik van het orkest te verruimen, met bijzondere aandacht voor het aantrekken van jongeren.

“Een van de grote uitdagingen in Brussel is dat we een doelpubliek voor onze concerten moeten opbouwen,” vertelde hij, waarbij hij opmerkt dat het theater met zijn 1100 zitplaatsen nagenoeg altijd uitverkocht is voor operavoorstellingen. “Het is bijzonder moeilijk om in de huidige stedelijke context concertmuziek te brengen, met zoveel uitstekende gastorkesten. Ik probeer dan ook zo te programmeren dat onze concertreeks niet alleen mensen uit Brussel aantrekt, maar ook anderen die bereid zijn zich te verplaatsen om een bepaald werk te horen. Ik wil iets unieks aanbieden, en wil daarbij ook het schitterende koor inzetten. We overwegen zelfs om concertante operauitvoeringen te brengen.”

Naast het samenstellen van programma’s die op zichzelf al boeiend zijn, wil de dirigent ook een link leggen tussen deze concerten en de hoofdactiviteit van de Munt, zodat er eigenlijk een dialoog ontstaat tussen de programmering van concerten en opera’s in het huis. “Ik wil als het ware een brug slaan tussen wat er in het operahuis gebeurt en andere kunstuitingen uit de betreffende periode. Als je dus bijvoorbeeld Jenůfa van Janáček doet, zou je misschien een symfonie van Mahler of iets van Martinů kunnen brengen. We zouden als het ware een muzikale reis kunnen maken door de muziek rond Janáček. Ik vind het uiterst belangrijk om iets in beweging te brengen zodat het operapubliek ook naar de concerten komt. Deze curatorische benadering geeft me veel meer voldoening. We willen niet concurreren met orkesten die tweehonderd concerten per jaar geven, terwijl wij er slechts zeven doen.”

Het zal misschien verrassen voor iemand die zo diep nadenkt over dergelijke dingen, maar Morlot – die werd geboren in Lyon en er ook opgroeide – komt niet uit een bijzonder muzikale familie. “Het is me zeker niet opgedrongen”, vertelt hij. “Ik begon viool te studeren toen ik zes was, meer door mijn grootvader dan door mijn ouders. Hij zong graag en hield van opera, en ik bracht tijdens de vakanties veel tijd met hem door. Ik woonde zelfs een tijdje bij hem en toen liet hij me naar opnames luisteren – hij had van die grote stereoluidsprekers – en liet me raden wie de componist was van het werk dat hij me liet horen. Die ervaring heeft me een grote muzikale nieuwsgierigheid en kennis bijgebracht.”

De oudere broers en zussen van de dirigent bespeelden in die tijd ook een instrument, maar toen de muziekstudie voor Morlot menens werd – hij was toen twaalf – waren zijn broers en zussen al gestopt met hun instrument. “Ik woonde toen bij mijn grootvader”, herinnert de dirigent zich. “Hij nam me mee naar mijn eerste opera, Lohengrin, in Lyon. Ik zat vlak achter de dirigent. Het is een klein operahuis en het feit dat ik me dat herinner, moet betekenen dat het een beslissend moment was in mijn besef dat dirigeren iets was wat me interesseerde. Vanaf dan ben ik serieuzer viool gaan studeren.”

Toen hij negentien was, verliet hij Frankrijk om in Canada – Montreal om precies te zijn – viool te gaan studeren. Tijdens de zomer reisde hij naar de Verenigde Staten om er les te gaan volgen aan de Pierre Monteux School in Maine, die tot haar alumni onder meer dirigenten Lorin Maazel, Neville Marriner en David Zinman mag rekenen. Na zijn Bachelor viool aan de Université de Montréal, keerde Morlot terug naar Europa, waar hij was toegelaten tot het masterprogramma orkestdirectie aan de Royal Academy of Music in Londen. “Ik heb lang getwijfeld of het viool of orkestdirectie zou worden”, vertelt Morlot. “Maar aan het eind van mijn verblijf in Londen, werd ik door Seiji Ozawa uitgenodigd om naar Tanglewood te komen,” het zomerverblijf van het Boston Symphony Orchestra. Daarna ging ik terug naar Europa om David Robertson in Lyon te assisteren. Vervolgens stelde het Boston Symphony me voor om een auditie te doen voor James Levine, en keerde ik dus terug naar Boston. Het ene leidde tot het volgende. En dan was er nog de eenjarige beurs orkestdirectie Norman Del Mar Conducting aan het Royal College of Music, speciaal gericht op opera.”

Een Fransman die muziek gaat studeren in Engeland? Het is vrij ongebruikelijk, maar Morlot beweert dat die ervaring van groot belang was voor zijn ontwikkeling als kunstenaar. “Daar ontdekte ik hoe boeiend ik het vind om in Angelsaksische landen te werken,” vertelt hij. “Wat me zo aantrok in Londen, was het uitgebreide muzikale aanbod daar. Praag, Berlijn en München hebben dat natuurlijk ook, maar Parijs is nooit zo’n plek geweest. Frankrijk in het algemeen is nooit zo'n muzikaal land geweest. Daar wordt film, theater en dans gemaakt – dat allemaal wel, maar de klassieke muziektraditie is er nooit zo sterk geweest als in andere Europese landen. In Londen is dat helemaal anders. Ga maar eens naar de Philharmonia en je wordt getroffen door de rijke klank van het orkest. Ga naar het London Symphony Orchestra en daar valt vooral de virtuositeit van het orkest op. En dit geldt ook voor opera, hedendaagse muziek en barokmuziek. Ik ben nooit in mijn leven zo vaak naar concerten geweest als die vier jaar in Londen. Had ik daar nu nog maar tijd voor.”

Zijn auditie bij Levine leidde tot een doorbraak, namelijk zijn aanstelling als assistent-dirigent van het Boston Symphony van 2004 tot 2007. Daarna begonnen de uitnodigingen van grote orkesten binnen te stromen, en Morlot aanvaardde er zoveel als hij kon. “Want je wilt toch niet trouwen voor je een aantal meisjes hebt gekend,” schatert hij. “Ik wilde zoveel mogelijk debuten maken. Het vraagt – en geeft – veel energie wanneer je een week met een nieuw orkest werkt, maar dat verandert als ze je terugvragen. Dan verdiept de relatie zich. Rotterdam is daarvan voor mij een sprekend voorbeeld. Vanaf dag één verlangde het Concertgebouworkest meer en meer van me en telkens ik terugkwam steeg het niveau van onze samenwerking.”

Morlot verwijst naar zijn aanstelling in Seattle als “een droom die uitkwam,” des te meer daar hij het nieuws kreeg in juni 2010, minder dan een jaar na zijn debuut met het orkest in oktober 2009. “Het was tijd voor iets nieuws,” vertelde hij. “Dat was ook zo in Boston toen Levine Ozawa opvolgde. Ik besef dat het enige tijd zal duren voor ik mijn stempel op Seattle kan drukken, maar ik weet dat het mogelijk is, door middel van een andere energie en een nieuw repertoire. Ik heb het gevoel dat ik er echt iets kan realiseren. Op plaatsen waar er om de drie of vier jaar een nieuwe dirigent komt, is het moeilijk om iets te veranderen. Het is moeilijk om in die periode iets te verwezenlijken. Daarom heb ik erop aangedrongen dat mijn eerste contract in Seattle zes jaar zou duren, en niet slechts drie. Ik heb drie of vier jaar nodig om te beslissen of we bereikt hebben wat we hadden vooropgesteld. En dat geldt ook voor Brussel.”

De dirigent en zijn gezin – zijn vrouw Ghizlane en hun twee dochters, Nora en Iman – hebben zich dan wel gevestigd in Seattle, maar dit betekent niet dat hij het Europese leven niet mist. “Ik woon en werk graag in Seattle, maar ik heb af en toe mijn portie Europa nodig. Daar ben ik immers opgegroeid. En dat is ook zo geweldig aan Brussel. Ik zal er vanaf september een appartement hebben, en dat is heel belangrijk voor me, omdat het toch iets heel anders is om en eigen stek te hebben dan in een hotelkamer te verblijven – je kunt dan ook wat bagage achterlaten en er is de wetenschap dat je de volgende ochtend je eigen espressoapparaat weer aantreft, op dat moment je beste vriend!”

Morlot heeft niet zoveel verantwoordelijkheden in Brussel als in Seattle, maar dat betekent niet dat hij ze minder belangrijk vindt. “We hebben slechts zeven concertprogramma’s in Brussel”, vertelt hij. “Het kan op dit moment natuurlijk niet, maar ik zou ze graag allemaal doen. Dan zou ik het orkest echt vorm kunnen geven en daar streef ik dus ook naar. Hoeveel je ook kunt overbrengen tijdens repetities in de orkestbak, toch is het ook belangrijk om concerten te doen.” Hij heeft zich geëngageerd om twee operaproducties per jaar in de Munt te dirigeren en zoveel concerten als zijn schema toelaat (ten minste twee per seizoen). “Ik streef ernaar minstens de helft te kunnen doen,” vervolgt hij. “Ik wil twee opera’s en vier concerten doen. Ik wil graag meer doen, maar dat zou niet redelijk zijn. En ik wil er vanaf dag één bij zijn voor de opera’s, ik wil deel uitmaken van het hele repetitieproces. Anders kun je net zo goed geen enscenering doen. Ik wil deelnemen aan de audities, iets wat ik echt heel, heel ernstig opneem. Op die manier krijg je de kans om een orkest heel snel vorm te geven. Ik neem dat echt ernstig. En hoewel ik uiteraard niet het laatste woord heb over de casting en interne aangelegenheden, sta ik altijd nauw in contact met intendant Peter de Caluwe, die ik kan bijstaan om alles te plannen en een familie van gastdirigenten uit te bouwen. Het is dus eigenlijk een permanente dialoog. En ik wil zelfs ook graag betrokken worden bij de programmering van de kamermuziekconcerten.” Dat soort stoutmoedige ambities zijn typisch voor Morlot, die een onuitputtelijke energie blijkt te bezitten en wiens enthousiasme aanstekelijk werkt. Hij is duidelijk een dirigent die niet worden gedreven door een blinde ambitie, maar door een overduidelijke liefde voor de muziek en haar het vermogen ons te verrijken en ons doen op te leven. Eerder dan op zijn metaforische lauweren te rusten, lijkt hij voortdurend op zoek te zijn naar iets nieuws en te streven naar een beter inzicht en een grotere verlichting.

“Mensen die zeventig of tachtig jaar oud zijn, en beweren dat ze nog altijd nieuwe dingen bijleren, dat zijn echte kunstenaars,” aldus Morlot. “Een nieuw repertoire instuderen als je tweeëntachtig bent, daar gaat het om. Dat moet je blijven doen. Was het niet Muti die ooit zei: ‘Je stopt met de maat te slaan wanneer je zestig wordt’? Daar is iets van aan. Je kunt dat niveau wel bereiken, maar dat heb je niet altijd. Het is het begin van een totaal nieuwe manier van groeien. Net als een componist leer je eerst het vak, en dan stijg je erboven uit, terwijl je de stiel blijft beheersen. Wij dirigenten doen iets gelijkaardigs. Die nieuwsgierigheid is essentieel”.

David Mermelstein

David Mermelstein writes about classical music for the Wall Street Journal, the Los Angeles Times and the Washington Post, as well as for BBC Music magazine and MusicalAmerica.com. He contributed to the latest edition of “The New Grove Dictionary of Music and Musicians” and is the co-author of the “American Tradition” chapter of “The Cambridge Companion to Conducting” (2003).

article - 17.10.2012

 

Ludovic Morlot
De Munt, Concert

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt