Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Cesena

Filtreren op media: 

Cesena

Interview De Keersmaeker - Schmelzer

De Munt - Interview De Keersmaeker - Schmelzer

Anne Teresa De Keersmaeker was vorig jaar op het Festival van Avignon te gast met En Atendant, een werk geïnspireerd door de Ars Subtilior, een polyfone muziekstroming die aan het eind van de veertiende eeuw haar opwachting maakte in Zuid–Frankrijk, Noord-Italië en Cyprus. Deze zomer schreef ze op de Cour d’Honneur van het Palais des Papes opnieuw geschiedenis met haar nieuwe creatie Cesena – een werk waarvan de onmetelijke schoonheid ’s nachts begint en zich uitstrekt tot de zonsopgang. Voor deze creatie, die uit hetzelfde muzikale repertoire put, werkte ze samen met Björn Schmelzer en zijn ensemble Graindelavoix

Waarom hebt u ervoor gekozen om u nogmaals te laten inspireren door de Ars Subtilior?
Anne Teresa De Keersmaeker: Om te beginnen vooral omdat het fantastische muziek is. Tot En Atendant had ik het nooit gewaagd muziek van vóór Monteverdi te gebruiken. Ik aarzelde omdat ik dacht dat het vooral gewijde muziek was, en daarvoor was ik bevreesd, gegeneerd. In feite was mijn vrees gebaseerd op een heel beperkte kennis van zaken. Toen men mij de Ars Subtilior heeft leren kennen, heb ik in vele opzichten een muziek ontdekt die zeer dicht staat bij mijn smaak en interesses: een complex contrapunt waarachter een geraffineerde expressie schuilgaat. Maar pas door er in En Atendant mee te werken heb ik ook ingezien hoe mooi en uitgebreid dit repertoire is, en welke vele mogelijkheden het biedt. Voor deze creatie op de Cour d’Honneur wilde ik die muziek anders aanpakken, namelijk door samen te werken met het vocale ensemble Graindelavoix, en niet door een beroep te doen op instrumenten.
Björn Schmelzer: We proberen de partituur niet al te rigide te benaderen, en laten ons niet intimideren door het prestige van deze oude kunst. Een zekere plasticiteit is perfect mogelijk, en zelfs wenselijk. In dit geval hebben we gekozen voor een louter vocale bezetting, zonder instrumenten. Dat is een zeldzame benadering, want het wordt algemeen erkend dat de middenstemmen in de werken van de Ars Subtilior zo gesofisticeerd zijn dat ze onzingbaar zijn en aan instrumenten moeten worden toevertrouwd. Persoonlijk betwijfel ik dat, en ik denk dat dit destijds niet het geval was. Maar mijn benadering is niet alleen historisch. Door het hele polyfone weefsel uitsluitend aan stemmen toe te vertrouwen, verplicht je die tot minutieuze articulatie en precisie, die ze fragiel maakt. Ze verwijzen op die manier naar onszelf, als de kwetsbare emanatie van het lichaam. In die zin is het verband met de fysieke danswereld directer.
A.T.D.K.: De andere reden waarom ik nu terugkeer naar de Ars Subtilior, is dat ik gefascineerd ben door de historische context waarin deze uiterst geraffineerde muziek ontstaan is. De veertiende eeuw is een tijd van ingrijpende veranderingen. De wereldorde verbrokkelde en nieuwe ideeën zagen het daglicht. Het is bijvoorbeeld de eeuw van de uitvinding van het horloge, dat de tijd kwantificeert. Op filosofisch gebied was het de dageraad van revolutionaire ideeën. Maar dat alles kreeg gestalte in een context van chaos en ellende voor de mensen van toen: de pest, de Honderdjarige Oorlog, de transformatie van de feodale samenleving…
B.S.: Bovendien waren figuren zoals Nicole Oresme de eersten die de begrippen dynamiek en intensiteit gingen conceptualiseren en meten. Dat merk je heel duidelijk bij het beluisteren van deze muziek. Het is niet overdreven om een verandering vast te stellen die vergelijkbaar is met die van de ontwikkeling van bewegende beelden in het begin van de twintigste eeuw. Er ontwikkelde zich een lexicon om versnelling, affecten en chromatiek te beschrijven – wat allemaal nieuwe begrippen waren. Tegelijk borrelde op intellectueel gebied het streven naar democratie en naar de herverdeling van de rijkdom op – wat allemaal pas duidelijk zichtbaar werd tijdens de renaissance.

Hebt u deze twee werken, En Atendant en deze nieuwe creatie Cesena, vanaf het begin als één geheel beschouwd?
A.T.D.K.: Toen Vincent Baudriller contact met me opnam voor de editie 2010 van het Festival, was mijn eerste idee om de Cour d’Honneur te gebruiken. Ann Veronica Janssens (met wie ik had samengewerkt voor Keeping Still en The Song) kwam op het idee van een voorstelling in afwachting van het ochtendgloren. Maar om agendaredenen lukte dat toen niet. Met Michel François, die ook meewerkte aan The Song, hebben we toen een stuk uitgewerkt voor het Cloître des Célestins, als een prelude op deze creatie. Destijds had ik het met Björn al over de manier waarop we verder gebruik konden maken van de Ars Subtilior, de muziek die verbonden is met het pauselijk hof en met Avignon. Op die manier sluit dit nieuwe stuk ook naadloos aan bij mijn vorige werken. Ik probeer voort te bouwen op de ervaring van The Song, een stuk dat ik in 2009 creëerde, op basis van stilte en mannelijke dansers, en met een zo sober mogelijk gebruik van middelen. In de creatie van dit jaar zijn er evenmin instrumenten op de scène te zien, alleen stemmen. Die interesse voor zang was al aanwezig in mijn vorige voorstellingen: Keeping Still, The Song, 3Abschied… In de zangers van Graindelavoix heb ik voor het eerst partners gevonden die het me mogelijk maken om het gebruik van de stem op dezelfde manier te verkennen als we het gebruik van lichaamsbeweging benaderen. Op de scène zullen alle vertolkers dansen en zingen. De dansers en zangers zullen proberen te ‘fuseren’.
B.S.: Die ‘fusie’ wordt heel boeiend. Complexiteit zit namelijk niet in een eenvoudige opeenstapeling van noten op papier. Deze muziek is immers bestemd voor zangers die op het gehoor hebben leren zingen en die weten te improviseren op de zanglijnen. Het is vooral de kunst van het luisteren en van de flexibiliteit. Ik ontdek een volstrekt nieuwe wereld: dansers laten zingen, hen hun tonus laten volgen, eerder dan hen te dwingen zich te concentreren op de kwaliteit van hun stem. Dat toont me de weg naar nieuwe manieren om muziek te articuleren, net zoals die terug te vinden zijn in andere cultuurtradities. Matej Kejzar bijvoorbeeld, een Sloveense danser in het gezelschap, begon tijdens de repetities een soort ballade te zingen, modale muziek uit de streek waar hij opgroeide en die verbazend sterk leek op middeleeuwse muziek – maar met heel verfrissende intonaties. Een klassieke zanger had dat niet kunnen produceren, of toch niet op die manier.
A.T.D.K.: We werden naar de veertiende eeuw gekatapulteerd, maar zonder enig besef van een ‘historische reconstructie’. Meer alsof onze geschiedenis altijd al aanwezig is geweest in ons DNA .

Hoe hebt u de muziek gekozen die u op scène zult gebruiken?
A.T.D.K.: De muziek van En Atendant is afkomstig uit Noord–Italië. Ik wilde dat de gezangen in deze nieuwe creatie nog nauwer verbonden waren met de geschiedenis van Avignon, met het pauselijke schisma aan het eind van de veertiende eeuw.
B.S.: We hebben vooral geput uit de bekende Codex Chantilly, een middeleeuws muzikaal handschrift dat meer dan honderd stukken bevat, en uit de enorme Codex van Cyprus, die meer dan driehonderd werken omvat. Cyprus stond in die tijd onder het gezag van de heren van Lusignan (Poitou). Deze keuze steunt niet alleen op muzikale overwegingen, ook de teksten speelden een rol. Een tiental stukken vertelt bijna het hele verhaal van het Grote Westerse Schisma. Het eerste gezongen stuk is bijvoorbeeld een anoniem politiek getint motet dat de terugkeer van paus Gregorius XI van Avignon naar Rome rechtvaardigt met genealogische en astrologische pseudo–argumenten. Verderop introduceert het prachtige lied ‘Le Ray au Soleil’ van Johannes Ciconia het thema van het licht. Het is een meditatie over het blazoen van de Visconti. Dat is een muzikale en wiskundige krachttoer, want drie stemmen met elk een andere snelheid zijn er over elkaar geweven! Het lied waarmee we de voorstelling afsluiten, is van de hand van Jean Hamelle, die afkomstig was uit Kamerijk, maar aan het Lusignanhof werkte. Hij verbindt Oost met West, de opkomende zon met de ondergaande. Dit stuk verweeft twee verschillende Latijnse teksten met elkaar, tot die met elkaar versmelten. De ene beweent onze sterfelijke conditie, en is een nachtelijke tekst. De andere bespeurt in de mens de vonk die in geen ander levend wezen schuilt en die hem eeuwig maakt: de ‘Splendor’ of ‘schittering’. Deze tekst zit vol licht. Deze brug tussen Oost en West, deze combinatie van dag en nacht, zijn thema’s die in mijn ogen vooruitwijzen naar de Europese renaissance.

Een van de bijzonderheden van uw creatie is de keuze voor zes zangers en dertien dansers, met andere woorden, een groep van negentien mensen, onder wie zestien mannen. Wat betekent dat mannelijke overwicht?
A.T.D.K.: Het is voor mij een manier om het werk voort te zetten dat ik begonnen ben vanaf The Song. Als je met een ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ georiënteerde groep werkt, worden de krachtlijnen van een voorstelling duidelijker en verleen je die een eenheid. Ik streef al sinds een paar producties naar een ideaal van lichtheid, naar het loskomen van alles wat zwaar is, naar het afwijzen van de zwaartekracht. Dat kruist het thema van de overgang van duisternis naar licht. Alles wat ik bij mannelijke dansers waardeer, gaat in die richting: niet gewicht of het etaleren van kracht, maar de sprankelende energie waarvan ze blijk kunnen geven, hun heldere kant.

Wie uw recentste stukken bekijkt, The Song en En Atendant, krijgt de indruk dat uw artistieke keuzes gebaseerd zijn op een steeds sterker streven naar zuiverheid…
A.T.D.K.: Ja, het kan soms geen kwaad om de verpakking weg te halen en naar de cruciale vraag te gaan: wat hebben we nodig? Aangezien ik heel erg overtuigd ben van het retorisch potentieel van het lichaam, en daar ook van houd, reduceer ik kostuums en belichting het liefst tot het minimum. Tijdens deze nieuwe creatie krijgt de toeschouwer de Cour d’Honneur te zien zonder kunst– en vliegwerk. Of liever, met de eenvoudige, subtiele scenische kunstgrepen die Ann Veronica Janssens heeft bedacht. Ze zijn het resultaat van een reflectie over het daglicht, zijn verspreiding en de verblinding erdoor. Terwijl En Atendant speelde met de poëtische paradox van een onthulling door de nacht, van een verschijning midden in de duisternis, krijgen we hier het tegenovergestelde effect: iets wat in het licht verzinkt. Net zoals in En Atendant passen we die openluchtaspecten uiteraard aan voor de reprise in de Munt. Om terug te komen op uw vraag over de eenvoud van de gebruikte middelen: ja, ik heb bewust gekozen voor een choreografisch vocabulaire dat steunt op heel eenvoudige elementen. De pas, bijvoorbeeld. Die biedt me de kans tot verplaatsingen in de ruimte, en om relaties aan te halen of losser te maken. Maar de pas is ook een manier om de tijd te verdelen, om hem bij iedere stap te kwantificeren. De pas is dus in zekere zin de verankering van tijd en ruimte in mijn lichaam.
B.S.: Wat je zegt is interessant omdat het tempo van liederen in de veertiende eeuw verband hield met de pas en galop van een paard. Die pas is nog altijd een goede parameter voor snelheid en traagheid.
A.T.D.K.: Meer in het algemeen kan ik zeggen dat ik in mijn werken sinds een jaar of vijf steeds dezelfde vragen tegenkom. Hoe de wegen en circuits onthullen die ons lichaam en ons denken doorkruisen, die ze met elkaar verbinden? Die connecties maken ons mens als ze concreet gestalte krijgen in dans of zang. Dat heeft een naam: jubelen. Proberen de zenuw van die jubel bloot te leggen, betekende in zekere zin kiezen voor een soort minimalisme. Niet dat van mijn beginjaren, dat niet, maar eerder een spiraalvormige terugkeer. We zijn die richting ingeslagen in Zeitung, met de muziek van Anton Webern en Bach, en zijn vervolgens op die weg doorgegaan in The Song, 3Abschied en En Atendant. We nemen het lichaam als uitgangspunt. Dat is het meest individuele wat we als mens hebben – het meest zichtbare en tegelijk het grootste geheim. Het menselijk lichaam is in de loop der eeuwen allicht veranderd, maar het heeft zich ook laten coderen door alle menselijke ervaringen. Een creatie maken op basis van veertiende–eeuwse gezangen betekent ook de herinneringen van het lichaam weer aan het oppervlak brengen.

Opgetekend door Maxime Fleuriot de Bruyn

article - 22.10.2011

 

Cesena
Dans

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt
culturele
black-out