Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Filtreren op media: 

War Requiem

Interview Ludovic Morlot

De Munt - Interview Ludovic Morlot

Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Benjamin Britten, de belangrijkste Britse componist van de twintigste eeuw, stelt de Munt in het kader van zijn jaarlijkse requiemconcert diens War Requiem voor. Dit werk, opgedragen aan alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, is een niet te missen evenement. Ludovic Morlot dirigeert voor dit concert het Symfonieorkest van de Munt, drie koren en ons Kinderkoor. De drie solisten herinneren ons, in het Latijn en in het Engels, aan de gruwel van de oorlog en aan de noodzaak van vrede en verzoening. Dit concert wordt gesteund door Amnesty International.

Dit project past binnen een Munttraditie om elk seizoen rond Allerheiligen een requiem uit te voeren. Na dat van Bruneau (dat u in november vorig jaar dirigeerde), stort u zich op een nog ambitieuzer werk…

Een van de aanleidingen is uiteraard de hondertste verjaardag van Brittens geboorte in 2013 en ook de herdenking van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog volgend jaar. Maar afgezien daarvan is het ongetwijfeld ook een werk dat dankzij de troeven van de Munt echt kan schitteren: ik denk aan het kinderkoor en aan de solisten Olga Guryakova, Mark Padmore en Dietrich Henschel.

Die bezetting, met een Russische zangeres, een Engelse tenor en een Duitse bariton, is niet toevallig…

Nee, inderdaad. Met Peter de Caluwe hadden we het plan opgevat om het solistentrio dat Britten in 1962 in gedachten had opnieuw samen te brengen: een trio met zangers uit drie grote staten die bij de Tweede Wereldoorlog betrokken waren. Dat was indertijd niet helemaal gelukt want Galina Visjnevskaja mocht de USSR niet uit en dus vormde Heather Harper toen een trio met Peter Pears en Dietrich Fischer-Dieskau.

Hier vindt het concert niet plaats in een kathedraal…

Al had ik dat wel graag gehad, maar in een kathedraal spelen brengt andere problemen met zich mee, akoestische met name. En in Bozar kunnen we heel goed de sfeer creëren die dit War Requiem vergt. We moeten nadenken over de plaats waar we het kinderkoor opstellen, want we moeten met afstandseffecten kunnen spelen. Ik denk het op te lossen zoals bij het Bachkoraal in november vorig jaar, door de publieke ruimte achter de corbeille te gebruiken. Die levert een fraaie galm en maakt het ook mogelijk om te spelen met het al dan niet openen van de deuren naar de zaal toe om voor de diverse bewegingen andere effecten te creëren. Het Offertorium moet vanuit de verte klinken, maar in het In paradisum van het Libera me moet het kinderkoor veel nadrukkelijker aanwezig zijn.

Het In paradisum is een van de zeldzame momenten waarop…

<p… waarop de twee orkesten samen spelen, met het koor, de drie solisten, het kinderkoor, de twee orgels – het grote orgel dat voor het eerst weerklinkt, en het kleine orgel dat bij het kinderkoor hoort. Wat klankniveau betreft, is dit plots iets heel anders.

Vertel ons eens over de bijzonderheden van dit requiem: hoe heeft Britten de gedichten van Wilfred Owen gekoppeld aan de liturgische tekst?

Enerzijds heb je de sopraanpartij en de koren die de Latijnse tekst zingen, begeleid door het orkest; anderzijds verdelen de tenor en bariton onder elkaar de Engelse gedichten, begeleid door het kamerorkest. Het feit dat Britten gedichten gebruikte van een jonge Engelse dichter – Wilfred Owen stierf aan het einde van de Eerste Wereldoorlog op vijfentwintigjarige leeftijd – heeft een grote weerslag op de emotionaliteit van het werk. De aanwezigheid van toegankelijke en kwalitatief hoogstaande gedichten brengt het werk dichter bij onze leefwereld. In zekere zin worden de gevoelens die in de liturgische mis aan bod komen ‘geïllustreerd’ door de gedichten, waardoor de inhoud een grotere eeuwigheidswaarde krijgt. De conflicten, de oorlog – dat zal altijd verschrikkelijk eigentijds zijn. Ik vind het fascinerend dat Britten er telkens voor opteerde om het kamerorkest te dirigeren en niet het groot orkest. De tussenspelen van het kamerorkest vatten inderdaad zeer goed zijn muzikale taal samen. De andere passages, in het Latijn, zijn haast verdiaans en profaan. Het Dies irae heeft bijvoorbeeld dezelfde ritmische kracht als het Dies irae van Verdi’s Messa da requiem en drukt een enorme woede uit.

Die schriftuur is misschien conventioneler?

Ja, de passages met groot orkest en groot koor zijn tamelijk conventioneel. De ‘commentaren’ die de gedichten van Owen leveren, dragen het stempel van Britten. Wat een kracht ontspruit er niet uit Let us sleep now, het wiegeliedje waarmee dit verscheurende werk eindigt… Op het einde bundelt Britten alle middelen en combineert hij de twee teksttypes; plots is er een opeenstapeling van alle elementen die tot dan toe los van elkaar opereerden. Het valt het me telkens op hoe eenvoudig de schriftuur op vele plaatsen is. Ik denk dan aan het Lacrymosa in het Dies irae – dat is haast mozartiaans in zijn eenvoud van expressie. De afwisseling met de gedichten van Owen – haast als een vorm van meditatie – is treffend.

Britten wou het publiek laten nadenken over de verschrikkingen van de oorlog, hij wou hen waarschuwen, vandaar ook het bekende motto van zijn partituur: “All a poet can do today is warn”…

Bij Britten heerst er een grote woede, maar die uit hij op zijn manier: in een geest van pacifisme, ingehouden en bijzonder intelligent. Aan de ‘traditionelere’ expressie van de liturgische tekst, die verwijst naar Verdi en Mozart, voegt hij een eigen dimensie, met meer intieme momenten die, door de stilte en het licht, de angst voor de dood weergeven. Bij Britten wordt de stilte op een zeer mooie manier aangewend. Hij roept er een soort ongemak in de exploitatie van de tijd mee op. En wat is er mooier om te mediteren dan de stilte en een spaarzaam gebruik van middelen? Dit Requiem van Britten heeft alles: plotse kracht en ingetogen momenten.

Welke uitdagingen stelt de uitvoering van dit werk?

De allereerste uitdaging vormt de koorpartij, die is moeilijk, complex. Vervolgens daag ik mezelf uit door beide orkesten te willen dirigeren, daar waar die taak doorgaans wordt gedeeld met een andere dirigent die dan het kamerorkest leidt. Maar aangezien beide orkesten maar zelden samen spelen, is dit heel goed haalbaar, op voorwaarde dat de opstelling op het podium goed doordacht is. Ik kan me ook niet voorstellen om die wondermooie passages voor kamerorkest aan iemand anders te laten! Britten gebruikt verrassend eenvoudige procedés, zoals bijvoorbeeld het gebruik van de tritonus, c-fis. Niet zozeer vernieuwende, maar wel doeltreffende effecten. Het moeilijkste deel is het Libera me, met de monoloog van de bariton die voorafgaat aan het Let us sleep now, voor de grote ontknoping. Het vergt opmerkelijke zangers die weten hoe ze de spanning kunnen aanhouden in een zeer fijn weefsel. Aan deze compositie moet je werken om tot een gemeenschappelijke ademhaling te komen, om de ritmische ostinato’s te vinden die in het hele werk terugkeren.

Hoe beschrijft u de rol van het kinderkoor?

Die rol verschilt in alle vier de passages waarin het kinderkoor zingt. Globaal gesproken weerspiegelt het inzetten van een kinderkoor zeer goed Brittens streven naar pacifisme. Onwillekeurig associeert men kinderen met beschermengelen, en dat is vrij evident in het In paradisum… Met de twee mannelijke protagonisten als jonge soldaten, lijkt Britten ook de komende generaties te willen betrekken bij een getuigenis over de verschrikkingen van de oorlog door te stellen: “Laten we niet zo’n toekomst scheppen voor onze kinderen.” Dat is misschien mijn interpretatie, maar ik vind het een mooie gedachte…

Opgetekend door Marie Mergeay

article - 24.10.2013

 

War Requiem
Concert

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt
culturele
black-out