Filtreren op media:

De partituur van Richard Strauss vraagt een groot orkest en het is opnieuw de Italiaanse dirigent Carlo Rizzi die aan het hoofd van het Symfonieorkest van de Munt zal staan – een combinatie die tijdens de vorige seizoenen al vuurwerk opleverde. De veeleisende partituur, die in zijn krachtige evocatie van het gevoelsleven duidelijk bij het expressionisme aanleunt, vereist een uiterst preciese uitvoering om de atmosfeer te bereiken die het publiek sinds de creatie blijft boeien. Onze fascinatie voor Salome is nog niet ten einde.
Net zoals La Bohème is Salome een werk van rond 1900. Is dit de periode in de operageschiedenis die uw voorliefde wegdraagt?
Nee, dit is veeleer toevallig. Natuurlijk worden Italiaanse operadirigenten al snel gevraagd om Italiaanse opera te brengen, waarbij je natuurlijk ook moet bedenken dat het Italiaanse repertoire ongeveer 70% van het hele repertoire uitmaakt. Maar ik heb ook al heel wat Strauss gedirigeerd! Strauss ligt mij zeer na aan het hart, vooral omwille van zijn virtuoze behandeling van het orkest, specifiek op het vlak van de orkestratie en de kleuren die hij uit het orkest haalt. En in zekere zin is dit hetzelfde als bij Puccini: ook hij stond bekend om zijn orkestratietalent. Voor elke dirigent is het dus uitermate boeiend om dit repertoire te dirigeren, en ik kijk er dubbel naar uit omdat ik het met het Muntorkest mag brengen… !
Zijn Puccini en Strauss dan toch niet elkaars tegenpolen?
Al de componisten rond de eeuwwisseling van 1900 waren gefascineerd door de ontdekking van nieuwe klanken in het orkest. In Strauss’ Salome bijvoorbeeld hebben we de heckelfoon [een dubbelrietbladinstrument dat een octaaf lager klinkt dan de hobo], bij Puccini vinden we veel nieuwe percussieinstrumenten, waarvan sommige succesvol waren en andere minder succesvol. Ze waren beiden heel geïnteresseerd om hun horizon te verbreden op het vlak van de klankwereld die ze schiepen.
Salome neemt misschien wel een sleutelpositie in de muziekgeschiedenis in: je kan het zien als het sluitstuk van de romantiek of als het begin van een periode van vernieuwing. Wat betekent dit werk voor u?
Ik benader deze partituur als een stuk dat de toon zet voor een nieuwe periode. De term ‘romantiek’ werd niet enkel gebruikt om een historische periode af te bakenen, maar verwijst ook naar gevoelsexpressies als ‘smachten’, ‘liefde’ en ‘passie’… Het is dit expressieve in de muziek van Salome dat voor Strauss overheerst, zozeer zelfs dat het overhelt naar het expressionisme. Zijn muziek is uiterst expressief: reeds van in het begin, vanaf de eerste maat begrijpen we de situatie. Deze situatie wordt op voortreffelijke wijze ‘getekend’ door het orkest: de klarinetten bijvoorbeeld, met hun harde intervallen, hangen een sfeerbeeld op dat niet romantisch is, maar beschrijvend werkt, tekenend voor de gewrongen gevoelswereld en zielsgesteldheid van een post-romantische wereld.
Ook binnen Strauss’ oeuvre neemt Salome een belangrijke plaats in… !
Elektra en Salome zijn van een heel andere orde dan de rest van Strauss’ opera’s. Ik vermoed dat beide werken voor een regisseur misschien wel het dankbaarst zijn, omdat ze niet gebonden zijn aan een specifieke tijd of een specifieke plaats. Ja, Salome vertelt natuurlijk het Bijbelse verhaal van Jochanaan die in de kerker zit, maar eigenlijk komt het in essentie neer op een strijd, een psychologisch gevecht tussen de personages. In Der Rosenkavalier is dat helemaal anders: ik ben er van overtuigd dat je Der Rosenkavalier niet kan brengen in een regie die het Wenen van die tijd niet respecteert, omdat die dan regelrecht zou ingaan tegen de muziek. Je hoort er zo duidelijk de klankwereld van het 18de-eeuwse Wenen in. De muziek van Salome en Elektra daarentegen beschrijft veel meer het innerlijke van de person
U sprak al over de rijke orkestratie van Salome. Is dit voor u de ultieme droom van elke dirigent, of ziet u het als een nachtmerrie om de balans tussen orkest en zangers te vinden?
Dit is inderdaad het grote probleem van deze partituur! Wanneer Strauss hier een groot orkest voorschrijft, is dit niet zozeer bedoeld om een fortissimo klank voort te brengen, dan wel om zo veel mogelijk kleuren ter beschikking te hebben. Niet het volume telt, wel de kwaliteit van de klank, en daarbij moet je steeds de balans tussen orkest en zangers in het oog houden! Maar er is ook een ander feit dat ons helpt… U weet dat er twee versies zijn van deze partituur: een voor heel groot orkest en een voor een wat kleinere bezetting. Ik heb er lang over nagedacht welke versie ik zou brengen, en ik ben ten slotte uitgekomen op een compromis. Ik neem de kleinere versie, maar dan wel mét de heckelfoon én de twee harpen die enkel in de grote versie voorkomen. Ik denk dat deze versie de voordelen van beide versies verenigt: enerzijds heb je de transparantie van een kleiner orkest, en anderzijds heb je de eigenheid en authenticiteit van de klank zoals Strauss die droomde met een groot orkest. De kleine versie – die ook de zegen kreeg van Strauss ! – is compacter. En ik denk ook dat die in een theater als de Munt beter zal klinken omwille van de grootte van de zaal. Maar zoals gezegd wil ik die extra instrumenten erbij om de klank te kunnen brengen die Strauss in gedachten had toen hij het werk schreef.
U neemt een bestaande productie over. Kan u zich daarin gemakkelijk inleven?
Hier en daar zal ik natuurlijk andere accenten leggen, maar ik denk niet dat dit een probleem zal vormen. Er zijn uiteraard zaken die ik anders begrijp. Een productie overnemen is als een huis kopen dat reeds in bepaalde kleuren geschilderd is, maar dat je zelf een nieuw laagje verf geeft.
In welke kleuren zal u dit huis schilderen? Of, anders gezegd, waar zullen de klemtonen van uw interpretatie liggen in de Munt?
Dat is altijd heel moeilijk te zeggen. Ik ben geen groot liefhebber van een zware, luide klank. Soms kan dat nodig zijn, maar ik wil er zeker geen strijd van maken tussen orkest en zangers. Ik denk ook niet dat dit in Strauss’ bedoeling lag. Als je probeert te brengen wat er geschreven staat, wijst dat zichzelf uit. Strauss is heel precies in zijn schriftuur voor de zangers. Maar het is tegelijk heel moeilijk die muziek te spelen of te zingen precies zoals ze geschreven staat. Het kan frustrerend zijn voor het orkest, omdat de dirigent steeds aandringt om zachter en zachter te spelen, terwijl je niet de hele tijd kunt fluisteren. Daarom ook denk ik dat de kleinere versie beter geschikt is, omdat het orkest daarbij vrijer is, meer aangepast aan de balans met de zangers. Bijvoorbeeld Jochanaan is heel mooi getekend door het orkest, steeds begeleid door heel specifieke instrumenten, maar ook de stem is ongelooflijk verscheiden in kleuren! Wat ik wil bereiken, is dat zowel de vocale partijen als het orkest hun kleurenpalet ten volle kunnen tentoonspreiden. Alles, van het kleinste detail tot de grootste geste, moet duidelijk zijn! Voor mij is het enorm belangrijk om de gevoelens van de personages en dat specifieke gevoel van ongemak, dat Salome zo eigen is, over te brengen op het publiek zodat de voorstelling voor de luisteraar een psychische reis wordt. Salome is een soort katharsis voor het publiek: een voorstelling van dit werk mag niet beperkt blijven tot een muzikale ervaring, maar moet een artistieke totaalervaring worden.
Opgetekend door Reinder Pols