Filtreren op media:

Zijn reputatie als virtuoos uitvoerder van het romantische liedrepertoire weerhoudt Christian Gerhaher er niet van om ook nieuwe paden te bewandelen. Na een recital drie jaar geleden, gewijd aan Mozart en Beethoven, is hij terug in de Munt, begeleid door zijn trouwe pianist Gerold Huber, en – ietwat minder voor de hand liggend – met de grote Duitse romanschrijver en essayist Martin Walser in de rol van recitant. Deze laatste bracht niet alleen enkele wijzigingen aan in de gedichten van Tieck die door Johannes Brahms op muziek werden gezet, maar hij schreef ook bindteksten tussen de verschillende liederen van de cyclus Die schöne Magelone.
Wat bracht u ertoe om de cyclus Die Schöne Magelone te zingen?
Die Schöne Magelone is een uitzonderlijk werk. Ik ben niet enthousiast over elk aspect van deze cyclus, maar het is bijzonder interessante muziek – complex en krachtig. Gerold Huber en ik begonnen in 1992 aan deze cyclus te werken. Ik wou deze compositie altijd al eens uitvoeren, maar op een andere manier, omdat het verhaal van Tieck wat conventioneel is. Het is een eenvoudig verhaal, rechttoe rechtaan, zonder veel franjes. Dus wachtte ik geduldig op een goede gelegenheid om een andere aanpak te vinden voor dit zeer afgelijnde, vreemde en een beetje vervelende verhaal van Tieck.
Waarom vervelend?
Omdat het zo positief is. Het gaat over een graaf die een prachtig leventje leidt. Hij staat op het punt geridderd te worden, ontmoet een jonge prinses, ze worden verliefd, trouwen en alles gaat als vanzelf. Ik hou niet van zo’n geïdealiseerde beeld van adeldom. Zelfs de woorden zijn hier al te afgelikt, wat de vertelling voor mij minder interessant maakt.
Hoe overwon u dan uw afkeer van de tekst?
De teksten van de liederen moesten uiteraard blijven zoals ze waren. Zij konden niet gewijzigd worden. Ik wou echter wel het proza veranderen. Enkele jaren geleden ontmoette ik Martin Walser, en hij stemde ermee in om Tiecks tekst aan te passen: hij voegde er ironie aan toe, door eenvoudigere woorden te gebruiken en het verhaal een vleugje humor te verlenen. Het is een roman, een herwerkt sprookje, met zeventien gedichten die in het proza zijn ingevoegd, waarvan vijftien door Brahms op muziek werden gezet. Het verhaal wordt echter verteld door de tekst tussen de liederen. Bijzonder vreemd, want bij een verhalende liedcyclus als Die Schöne Müllerin of Dichterliebe vertellen de gedichten doorgaans het verhaal. Dat is hier niet het geval. De gedichten zijn veeleer aria’s: ze vertellen niet het verhaal maar illustreren de gemoedsgesteldheid.
Wellicht daarom werd deze cyclus een ‘Liederoper’ genoemd
Wat mij betreft is dit zeer zeker een foute benaming. Het is geen opera. Ik weet niet wiedeze benaming bedacht heeft, maar toen ik dit las was ik stomverbaasd! Omdat Brahms niet in staat, en volgens mij zelfs niet bereid was, om iets dat maar op een opera leek te schrijven. Brahms was absoluut niet op opera gericht. Deze cyclus heeft romaneske en epische aspecten, maar geenszins dramatische.
Waarin verschilt het zingen van Brahmsliederen van het zingen van liederen van andere componisten?
Brahms behandelde de tekst anders dan gebruikelijk was bij componisten van de liedschool, onder wie Schumann en Schubert. Voor Brahms was de uitwerking van de muzikale vorm steeds belangrijker dan het eenvoudigweg ‘zetten’ van muziek volgens de retorische aspecten van het voorliggende gedicht. Hij was er niet zozeer op uit om zangers bijkomende nuances te laten leggen op welbepaalde woorden. Bij het zingen van liederen van Brahms gaat het niet om de uitspraak en interpretatie van de woorden, maar veeleer om de muziek zelf: woorden moeten ‘natuurlijk’ ingekleurd worden. Daardoor is het gemakkelijker om Brahms liederen op middelmatige teksten te zingen dan liederen van Schumann, Schubert of zelfs Mahler op teksten waar je niet van houdt. Wanneer je Brahms zingt, voel je je een instrumentist, zelfs bijna een instrument.
En dat is eens wat anders dan andere vormen van lied-zingen...
Het is iets helemaal anders. En bovendien een uitdaging. Maar het is prachtig. Zijn liederen vereisen een krachtigere benadering dan die van Schumann of Schubert. Ze vergen een zeer ronde, zachte, zelfs ietwat donkerdere klank. Het is een fysieke vreugde, een sensueel genoegen om liederen van Brahms te zingen.
Waarom concentreert u zich vooral op lied-recitals?
Precies door mijn fascinatie voor het lied werd ik zanger! Tijdens mijn studie hoorde ik een recital met liederen van Schumann, uitgevoerd door Hermann Prey, en ik zat aan mijn stoel gekluisterd. Dat wou ik ook, besloot ik toen.
Verschilt dit recital sterk van uw vorige recital hier?
Ja, het bijzondere is dat het een vertelavond wordt. Er wordt een echt (Duits) verhaal verteld, niet door de zanger, maar door een verteller, wat een zeldzaamheid is in het liedrepertoire.
Nu er een derde partij bij betrokken is, namelijk de verteller, verandert dit uw relatie met de pianist?
Mijn pianist en ik zijn als het ware getrouwd – dat beweren toch onze echtgenotes. Hij is als een broer voor mij, en dat vind ik prettig. We werken al nagenoeg 23 jaar samen, en ik ben nog geen tachtig! Maar in dit geval is onze relatie inderdaad enigszins anders, maar niet door de aanwezigheid van die verteller. Het heeft veeleer te maken met de moeilijkheidsgraad van de pianopartij. Het is echte kamermuziek. Mijn instrument is daarbij zowat de altviool die er wat woorden bij krijgt. Soms heb ik het gevoel dat deze cyclus een vroege sonate van Brahms is, of een ballade met obligato zang, alsof ik de continuopartij zing. Brahms’ Die Schöne Magelone is voor een liedpianist wellicht de moeilijkste partituur om uit te voeren, want hij is de solist!
Opgetekend door Charlotte Panouclias