Filtreren op media:

Afgelopen juni kreeg de voorstelling Les Huguenots in de Munt een extra dimensie dankzij haar vertolking van Marguerite. Nu is Marlis Petersen terug in Brussel met een origineel recital met liederen van Schumann, samen met zangers Anke Vondung, Werner Güra en Konrad Jarnot en pianisten Christoph Berner en Camillo Radicke. De Duitse sopraan met vele talenten vertelt over haar carrière en de toekomstige avonturen die ze hoopt mee te maken, waarin het recital een steeds belangrijker rol gaat spelen.
Hoe kwam dit project tot stand?
Alles begon met het project rond de Brahms-liederen dat we in 2008 ook hier in de Munt hebben voorgesteld. Harmonia Mundi vroeg ons aansluitend om die liederen op te nemen, wat zo goed verliep dat we er ook mee op tournee wilden. We vonden een agent die dat allemaal kon realiseren, want het is niet evident om vier zangers en twee pianisten voor twintig concerten samen te brengen. We beleefden er zoveel plezier aan dat we dit repertoire nog verder wilden verkennen, en we belandden al heel snel bij de Schumann-cycli. Die zijn totaal verschillend: zijn de Brahms-liederen heel vrolijk en speels, dan zijn de Schumann-cycli serieuzer en romantischer.
Is het Spanisches Liederspiel een typisch voorbeeld van het genre, met gesproken dialogen tussen de liederen?
Nee, toch niet. Er zijn geen gesproken dialogen en er is geen doorlopend verhaal. Het zijn meer kleine, afzonderlijke stukjes. Er is wel een afwisseling in de bezetting met solo-liederen, duetten en kwartetten. Er zitten ook weinig Spaanse elementen in de muziek. De gedichten zijn natuurlijk wel Spaans getint, maar je zal in de muziek geen Spaanse ritmes horen zoals je die in Bizets Carmen hoort.
Uw repertoire is heel uitgebreid en reikt van de barok tot hedendaagse muziek. Hebt u toch nog een voorkeur voor een bepaald genre of componist?
Ik hou enorm veel van Mozart, maar heb ik een sterke band met alles wat ik doe. Intuïtief verkies ik bepaalde rollen omdat ze dichter bij mijn persoonlijkheid liggen, maar soms blijkt dat ik daarover een verkeerd idee heb. Donna Anna in Don Giovanni vond ik geen interessant personage, omdat ze voortdurend klaagt. Ik dacht ‘mijn God, wat voor een naïef meisje is me dat’! Maar door te werken met regisseur Dimitri Tcherniakov heb ik over haar personage een ander beeld gekregen.
U werd meermaals geprezen voor uw Lulu-vertolkingen.
Dat is mijn favoriete rol. Ik plan nog twee producties in de toekomst, maar dat zullen mijn laatste zijn. Binnen enkele jaren word ik vijftig, en dan ben ik als Lulu niet echt meer geloofwaardig! In de opera zien we slechts drie jaar uit haar leven, maar Lulu evolueert van ongrijpbaar, jong en seksueel meisje tot het punt waar ze over alles begint te reflecteren. In het begin is ze frivool en denkt ze enkel aan mannen, maar geleidelijk aan verliest ze haar zelfvertrouwen. Die evolutie is zo uitdagend om te vertolken. Ook de muziek volgt dat interessante patroon. Het eerste bedrijf begint in een licht parlando, het tweede bedrijf wordt breder en lyrischer, en het derde bedrijf is dan heel dramatisch.
Speelt u het meest in opera?
Momenteel ligt 95 % van mijn engagementen in de operawereld, maar dat wil ik veranderen. Ik zou graag meer concerten en recitals geven. Ik ben eigenlijk best wel nerveus als ik een recital breng. Je bent alleen met je pianist, er is geen kostuum of decor om jezelf in te verbergen, en het contact met het publiek is veel directer. Ik houd er ook van om recitalprogramma’s samen te stellen. Onlangs heb ik een cd opgenomen gewijd aan de vrouwelijke personages bij Goethe, zoals Helena, Clärchen, Mignon… met muziek van veertien componisten zoals Schubert, Wolf, Křenek en minder bekenden als Walter Braunfels, Hans Sommer of Manfred Trojahn, die speciaal voor dit recital een lied componeerde. Het idee dat je iets bekends – de Goethe-personages – op een nieuwe manier toont, boeit me heel erg. Ik sta al te popelen om na dit project een ander literair thema aan te boren, maar daar moet ik het nog eens over hebben met mijn pianist Jendrik Springer.
Het tijdschrift Opernwelt verkoos u tweemaal tot Sängerin des Jahres. Vindt u dat flatterend?
Ja, ongetwijfeld! De eerste keer was in 2004, voor mijn Lulu-interpretatie met Konwitschny en Metzmacher. Dat was overweldigend. Maar de tweede keer, voor de Medea van Aribert Reimann in 2010, kon ik het niet geloven. Tweemaal zo’n beloning krijgen is fantastisch. De titel wordt door diverse critici gekozen en, hoewel ik hem kreeg op basis van mijn vertolking van Medea, vond men mij vooral een veelzijdige zangeres. Dat is een groot compliment. De hoofdredacteur vond het interessant dat mijn carrière stap voor stap is verlopen en dat ik gedurende vijftien jaar ononderbroken op het podium stond. Dat was niet zo gepland, maar het feit dat ik veel rollen aankan, komt door de vaste betrekkingen die ik in de opera’s van Nü rnberg en Düsseldorf heb gehad. Die variatie is net leuk en maakt mijn leven nooit saai!
Opgetekend door Frederic Delmotte