Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Filtreren op media: 

Ludovic Morlot, Ludovic Morlot

Interview Ludovic Morlot

De Munt - Interview Ludovic Morlot

Tijdens deze wintermaanden is het Symfonieorkest van de Munt tweemaal te horen in een apart en eclectisch programma. Het eerste concert stelt Stravinsky’s neoclassicistische Pulcinella tegenover een classicistisch voorbeeld van Haydn en een moderne tegenhanger van Webern. Het tweede concert, getiteld “Titan”, naar Gustav Mahlers Eerste symfonie, confronteert dit symfonisch gedicht met minder bekend maar prachtig werk van Bohuslav Martinů en met Johannes Brahms’ Alt Rapsodie. Chefdirigent Ludovic Morlot vertelt over de zoektocht naar een eigen stem voor het Muntorkest.

Voor de concerten die u in december en januari dirigeert, kiest u tweemaal een eclectisch programma. Wat is uw credo voor de programmering van deze concerten?

In de symfonische concerten van de Munt streef ik ernaar om originele programma’s te brengen om daarmee een tegengewicht te vormen voor de programmering in Brussel die talrijke prestigieuze orkesten laat horen in het traditionele symfonische repertoire. Ik wil graag werken uitvoeren die deze grote orkesten op tournee moeilijk kunnen vertolken omdat ze een koor of vocale solisten vereisen. In mijn concerten met het Symfonieorkest van de Munt wil ik eigen klemtonen leggen en ze een eigen identiteit geven. Bij het opstellen van een concertprogramma is het niet mijn eerste bedoeling om inhoudelijke, thematische verbanden bloot te leggen. Ik werk veeleer intuitief. Als luisteraar waardeer ik een mix tussen werken die ik ken en die me op mijn gemak stellen en werken die ik niet of minder ken. Voor het programma van januari vertrok ik bijvoorbeeld van de Eerste symfonie van Mahler en heb ik dan alle stukken overlopen die door hun gelijkgestemdheid of door hun tegengesteld karakter daarbij zouden passen. Ik hou zowel van contrast als van eenheid in de programmatorische lijn en ik programmeer graag tussen deze twee polen: niet steeds één thematiek maar vaak ook verschillende contrasterende lijnen. En plots kom je dan uit bij een enigszins onverwacht programma dat dan ook nog aansluit bij de thematiek van het seizoen.

Hoe bent u dan tewerk gegaan voor deze beide concerten?

In het geval van het concert in januari heb ik geprobeerd om thematisch aan te sluiten bij Janáček en zijn opera Jenůfa die dan op de affiche staat. De Moravische ziel, de Slavische geest was mijn leidraad. Mahlers Eerste symfonie staat centraal, omdat ik een grote affiniteit voel tussen Mahler en Janáček. Janáček had een grote bewondering voor Mahler, en geprobeerde hem zelfs te overhalen om Jenůfa in Praag uit te voeren – een plan dat is afgevoerd omdat Mahler nooit een Duitse versie van deze opera onder ogen heeft gehad. Janáčeks symfonische werken hebben ongetwijfeld een mahleriaanse invloed ondergaan, zowel op het vlak van de orkestratie als in het emotionele aspect van de muziek. Mahlers Eerste symfonie zie ik als een groot symfonisch gedicht in vier bewegingen. Het is heel descriptief – in de zin van Beethovens Pastorale symfonie –, hoewel Mahler zelf de verwijzingen naar het descriptief programma volledig wilde negeren na de eerste uitvoering. Je hoeft het programma niet te kennen om het werk te begrijpen, maar ik denk wel dat het helpt als je weet dat “het ontspringen van de lente” het oorspronkelijke basisidee was: er zitten tamelijk figuratieve verwijzingen in dit werk zoals de zang van vogels en een begrafenisstoet, en als je dat weet, worden de verschillende bewegingen sonore fresco’s. Een andere confrontatie die me erg interessant lijkt in het kader van Janáčeks Jenůfa is die met de muziek van Bohuslav Martinů. Uit zijn oeuvre heb ik gekozen voor Les Fresques de Piero della Francesca, dat verwijst naar de sublieme fresco’s in Arezzo van de Italiaanse, vijftiende-eeuwse grootmeester. Dit prachtig stuk zou vaker uitgevoerd moeten worden en ik wil mijn enthousiasme ervoor graag met ons publiek delen. Daarnaast lijkt mij de confrontatie van Brahms met Martinů erg boeiend. Beiden hebben een totaal verschillende benadering van de muziek. Bij Brahms ligt de klemtoon op de techniek van de thematische doorwerking, terwijl Janáčeks muziek gebaseerd is op kleine ritmisch-melodische cellen die afgeleid zijn van de gesproken taal. En desondanks werkt een combinatie van deze twee verschillende esthetische benaderingen heel goed. Van Brahms koos ik voor de Alt Rhapsodie omdat dit werk zowel een mannenkoor als een vocale soliste vereist, wat in het verlengde van de activiteiten van de Munt ligt. (Het belang van de vocale inbreng dit seizoen zien we ook nog in de keuze van het War Requiem van Britten of van Messiaens Trois petites liturgies.) Kortom: ik wil geen grote muzikale lijn weergeven die van Brahms over Mahler naar Martinů zou lopen, maar ik denk dat het drie verschillende werken zijn die toch goed passen bij elkaar, net ook omwille van hun verschillen.

Vooral Martinů’s werk is weinig bekend...

Martinů’s muziek is voor mij een combinatie van de esthetische krachtlijnen van Debussy en Stravinsky: je vindt er zowel de ritmische traditie van Stravinsky en als de prachtige kleuren van Debussy. Als ik het begin van de Fresques hoor, dan zie ik een glasraam voor me waar hevige zonnestralen doorheen schijnen. Bij de interpretatie moet je het licht van de sonore intensiteit vinden zoals dit door een glasraam opgeroepen wordt, maar ook het soort gezeefde klank van sonore schoonheid dat een warme intimiteit heeft zoals Debussy’s muziek. Bij dit alles komt dan een ritmische kracht die heel sterk bij Stravinsky aanleunt maar waarvan de invloeden uit de volksmuziek ook heel Slavisch aandoen. Het is niet echt programmamuziek, hoewel elke beweging een titel heeft. Toch is het visuele aspect heel belangrijk. Het felle coloriet van het fresco waarin gele en rode vlakken hevig oplichten, wordt weerspiegeld in de muziek, zeker in de tweede beweging met zijn krachtige klankkleuren. Allicht begrijp je het stuk beter als je het fresco hebt gezien. Hoewel je de context niet moet kennen om deze muziek te beluisteren, denk ik dat je ze meer kan waarderen als je ze wel kent.

Het andere concert heeft ook een eclectisch programma: Webern, Haydn en Stravinsky. Hoe zijn daar de verbanden of tegenstellingen?

De rode draad in dit programma is op de eerste plaats het kleinere orkest. Het is echter duidelijk dat er ook een andere lijn doorheen loopt, omdat de verschillende werken beheerst worden door het idee van het classicisme: van puur klassiek bij Haydn, over het herwerken van de klassieke symfonievorm bij Webern tot het neoclassicisme van Stravinsky. Stravinsky’s Pulcinella – in de volledige balletversie mét de vocale partijen – bood ons de gelegenheid om samen te werken met de zangers van de Muziekkapel Koningin Elisabeth. Opnieuw een fascinerend werk in een versie die niet vaak uitgevoerd wordt. Pulcinella is een neoklassieke aaneenschakeling van dansen, met een barokke oorsprong en in Franse geest. De band tussen het neoklassieke werk van Stravinsky en de klassieke Haydn zal zonder meer duidelijk zijn. Webern daarentegen schrijft een werk dat, hoewel hij de klassieke symfonievorm gebruikt, nieuwe werelden aanboort op het vlak van de samenklank, de opbouw en het gebruik van het orkest. Dit is veeleer een kamermuziekstuk dan een heuse symfonie. Het leek me een mooie gelegenheid om de Eerste Weense School met Haydn en de Tweede Weense School met Webern samen te brengen, maar Stravinsky’s Pulcinella blijft wel de hoofdschotel van dit programma.

In zijn Philosophie der neuen Musik plaatste filosoof Theodor W. Adorno juist Stravinsky en Schoenberg – de leraar van Webern – als grote antipoden van de twintigste-eeuwse muziek tegenover elkaar. Is hun muziek wel compatibel?

Ze is heel verschillend, maar juist daarom interesseert deze link mij zo! Zoals ik al zei, werkt een interessante programmering even goed op het niveau van het contrast als op dat van de thematiek. Later op het seizoen zullen we bijvoorbeeld ook Strauss’ Rosenkavalier met Messiaens Petite liturgie de la présence divine combineren...

U noemde dit projecten die liggen in de lijn van de kwaliteiten van het Symfonieorkest van de Munt...

Ik denk dat het Muntorkest kan uitmunten in dit repertoire, niet alleen omdat er verbanden zijn met het operarepertoire maar ook omwille van het vocale aspect. Bovendien vereist dit repertoire ook een grote affiniteit met de Franse stijl. En ik denk dat dit orkest die geest heel goed kan vatten. Ik vind het belangrijk om die werken te vinden waarin het orkest zal kunnen uitblinken. Maar ik vind het even belangrijk om met dit orkest het traditionele repertoire verder te exploreren, zoals we onlangs deden met het Egmont-concert rond muziek van Beethoven. Mahler en Brahms passen daarin natuurlijk perfect. Als ik vergelijk met de andere orkesten die ik dirigeer, dan valt het mij zelf op dat ik er vaak dezelfde stukken in een heel andere context programmeerde. In Seattle heb ik Martinů’s Fresques gecombineerd met werk van Dutilleux en Ravel, maar Stravinsky’s Pulcinella en Weberns Symphonie heb ik er nooit gebracht. Ik probeer een concertprogramma aan te passen aan de specifieke kwaliteiten van het orkest. En ik twijfel er niet aan dat het repertoire van deze beide concerten aansluit bij de kwaliteiten van het Muntorkest!

Opgetekend door Reinder Pols

article - 1.12.2013

 

Ludovic Morlot, Ludovic Morlot
Concert

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt
Keep the
lights on!