MyMM: video's, foto's, artikels

 
De Munt - Een leven voor de opera

Een leven voor de opera

Na zijn studies Rechten en Communicatiewetenschap in zijn geboortestad Gent engageerde Gerard Mortier zich in het Festival Van Vlaanderen (1968-1972) als assistent van toenmalig directeur Jan Briers. Hij groeide snel door in het internationale circuit als hoofd van de artistieke planning bij Christoph von Dohnanyi en Rolf Liebermann, in de operahuizen van Düsseldorf (1972-1973), Hamburg (1973-1977), Frankfurt (1977-1979) en Parijs (1979-1981). Zijn eerste functie als algemeen directeur bekleedde hij in Brussel.

Van bij zijn aanstelling in de Munt in 1981 heeft hij alles gedaan om dit huis opnieuw op de kaart te zetten. Door een gedurfde programmering, door een samenwerking met grote theatermakers met de bedoeling opera ook als theatervorm te herwaarderen, door een bewuste keuze voor een doordachte, consequente dramaturgische lijn met een klemtoon op de relevantie van het grote repertoire voor onze tijd, door een keuze voor het verjongen van het genre door opdrachten te geven aan hedendaagse componisten met feeling voor opera, door een doorgedreven verhoging van de artistieke kwaliteiten van het huis via een vernieuwing van orkest en koor en door het engageren van grote dirigenten met dramatische inzichten, door een grote aandacht voor de homogeniteit van de vocale bezetting met doorgaans jonge zangers, en niet in het minst door het inblazen van een enorm enthousiasme dat elke voorstelling tot een belevenis maakte, heeft hij het genre van de opera een nieuwe dynamiek gegeven die onheilstijdingen als “de opera is dood” uit de jaren ’60 radicaal naar de prullenmand verwees. Tien jaar lang – tot einde 1991 – was hij directeur in de Munt. In die tijd heeft hij vanuit Brussel de wereld getoond hoe een dynamisch operahuis met een visie ondanks beperkte middelen toch smaak- en spraakmakend kon zijn in Europa. Theaterregisseurs maakten opera hier opnieuw tot theater: internationaal gevierde artiesten als Patrice Chéreau, Peter Stein, Luc Bondy, Daniel Mesguich, Herbert Wernicke, Peter Mussbach of Ruth Berghaus werkten er naast talent van eigen bodem als Philippe Sireuil of Gilbert Deflo. Met zijn muziekdirecteurs Sir John Pritchard en Sylvain Cambreling wist hij het dramaturgisch concept ook steeds muzikaal vorm te geven. Zijn onfeilbare theaterinstinct maakte dat dit bijna altijd resulteerde in unaniem geroemde producties. Jong talent kreeg hierbij van hem steeds alle kansen. Tal van werken uit het repertoire heeft hij zo door het Brusselse publiek laten ontdekken of herontdekken, met als kroon op het werk ongetwijfeld de beroemde Mozartcyclus van Karl-Ernst en Ursel Herrmann, gedirigeerd door Sylvain Cambreling, en waarin José van Dam, één van de meest prominente zangerspersoonlijkheden uit de periode Mortier, een prominente rol kreeg. Nog tijdens zijn mandaat in Brussel werd hem gevraagd een vernieuwde structuur voor de Vlaamse Opera op te zetten, een opdracht waarvan hij zich schitterend heeft gekweten.

Omwille van zijn successen in de Munt werd Gerard Mortier in 1992 uitgenodigd om de artistieke leiding van de Salzburger Festspiele op zich te nemen. Ook hier liet hij een nieuwe wind waaien en schuwde hij de controverse zeker niet. Niet alleen verjongde hij het publiek, maar door zijn repertoirekeuze bereidde hij het festival tegelijkertijd voor op de 21ste eeuw. Na Salzburg volgde de RuhrTriennale, waarvan hij de eerste intendant werd (2002-2004). Daarna werd hij directeur van de prestigieuze Opéra de Paris (2004-2009), een logisch vervolg op zijn plaidoyer tijdens zijn Brusselse periode, waarin hij reeds zeer actief betrokken was bij de uitwerking van de plannen voor de nieuwe Opéra Bastille. Na een mislukt avontuur met de New York City Opera, waar zijn plannen omwille van financiële restricties nooit van de grond kwamen, werd hij benoemd tot artistiek directeur van het Madrileense operahuis Teatro Real, waar hij tot voor kort aan het werk was.

Gerard Mortier werd alom gerespecteerd omwille van zijn grote onderlegdheid, zijn ongebreidelde werkkracht en zijn visionaire cultuurplannen. Deze visie, die steeds vertrok vanuit een Europees en humanistisch perspectief, blijft richtinggevend voor ons allen die zijn erfenis verder willen uitbouwen.

Voor zijn verdiensten werd hij in 1991 benoemd tot Commandeur in de Kroonorde, kreeg hij in datzelfde jaar het Grosses Bundesverdienstkreuz in Duitsland, werd hij doctor honoris causa van de universiteiten van Antwerpen en Salzburg, werd hij Commandeur des Arts et des Lettres in Frankrijk, ontving hij in 2002 de zilveren Mozartmedaille van de Internationale Stiftung Mozarteum, en werd hij in 2005 Chevalier de l’ordre de la Légion d’honneur. Voor zijn ganse oeuvre werd hij gelauwerd met de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Algemene Culturele Verdienste 2004. In 2007 verleende koning Albert II hem de titel van Baron. Vanaf dit jaar wordt een prijs naar hem vernoemd, de Mortier Award, een nieuwe erkenning voor innovatieve leiders in muziektheater, die door de gerenommeerde Ring Award Jury voor het eerst, aan hemzelf, uitgereikt zal worden op 31 mei van dit jaar.