Opernhaus des JahresZelfs Gerard Mortier wist in Brussel zelden zo’n veelzijdig seizoen te realiseren. Naast de première van Hosokawa’s “Matsukaze” (geënsceneerd door Sasha Waltz) zorgde De Munt in 2010/’11 voor een glansrijke rehabilitatie van Meyerbeers “Les Huguenots”, Andrea Breth dook voor het eerst in het werk van Janáček en Romeo Castellucci maakte van “Parsifal” een stuk van uitersten. Dirigenten als Hartmut Haenchen en Marc Minkowski behoorden tot de absolute top uit hun vakgebied, en altijd was de bezetting uitgebalanceerd en afgestemd op de kenmerken van stuk en ruimte. Maar het teamwork was het belangrijkste: lang van tevoren werd alles afgestemd en ingepland. Het lijdt geen enkele twijfel: onder leiding van Peter de Caluwe voelt De Muntschouwburg zijn tijd haarscherp aan en voegt het huis een nieuw hoofdstuk toe aan zijn toch al zo rijke historie. Daarom is De Munt nu “Opernhaus des Jahres”. Als eerste huis buiten het Duitse taalgebied, overigens.
Hersenwerk voor alle zintuigen Een goed operahuis herken je niet in de laatste plaats aan het vermogen zichzelf zo nu en dan te ontgroeien. Zoiets wordt duidelijk wanneer in de loop van een zeven weken durend repetitieproces, of soms pas bij de eerste opvoeringen, een katalyserende reactie optreedt die van het geheel meer maakt dan de som der delen. En pas dan wordt een opera-avond een totaalkunstwerk in de ware betekenis van het woord. Nog maar een paar maanden geleden was er in De Munt zo’n productie te beleven: de onstuimig bejubelde uitvoeringen van Meyerbeers “Les Huguenots”. Zo kwam in het Brusselse operahuis met een artistieke kernfusie een einde aan een seizoen, dat aan hoogtepunten toch al geen gebrek had. Wie wil begrijpen wat De Munt typeert, kan het beste juist bij deze productie beginnen – zeker ook aangezien Meyerbeers werk absoluut een van de grootste uitdagingen is die een operahuis anno nu kan aangaan. Wie “Les Huguenots” wil opvoeren, moet immers niet alleen de juiste bezetting vinden voor enkele afschuwelijk moeilijke partijen, zoals ook bij “Der Ring” of “Die Frau ohne Schatten” het geval is. Ook moet hij een stijl en een wijze van ensceneren vinden die vijf uur hoogcomplex muziektheater rechtvaardigen. Zo bezien is deze productie, waarmee intendant Peter de Caluwe een kroon zet op zijn vierde seizoen, allesbehalve een gelukstreffer. Het is het resultaat van de Caluwe’s langdurige opbouwwerk. Niet alleen had hij een goede hand bij de keuze van regisseur, dirigent en zangers, ook wist hij een klimaat te scheppen waarin de kunst optimaal kon gedijen. Een productie als “Les Huguenots” is het resultaat van datgene wat een “Opernhaus des Jahres” typeert. De Caluwe’s voorgangers Gerard Mortier en Bernard Foccroulle hebben hiervoor de juiste voorwaarden geschapen. De Munt is een van de weinige huizen die de afgelopen twintig jaar voortdurend hebben gewerkt aan de vernieuwing van het muziektheater. Er ging geen jaar voorbij waarin Brussel niet minstens een of twee maatgevende producties op de planken bracht. Dat er tot vandaag de dag nauwelijks wordt gesproken over een “tijdperk Mortier”, laat staan dat daarnaar zou worden terugverlangd, toont aan dat deze continuïteit ook in Brussel zo gevoeld wordt. En terecht. Want hoeveel de voorliefdes van de intendanten ook verschillen, er is een duidelijke rode lijn in hun werk te ontwaren. Sinds Mortier is De Munt een operahuis dat de twee hoofdstromingen uit de traditie van het Europese muziektheater, de Duitse en de Franse, in een constructief onderling spanningsveld tracht te voeren. De vanzelfsprekende smaakvolle overvloed en de theatrale zinnelijkheid van de Fransen in combinatie met het hersenwerk van het Duitse regietheater leidt tot grootse opera, aldus de succesformule van De Munt. Vroeger tekenden voor deze aanpak namen als Luc Bondy, Christof Loy, Vincent Boussard en de Herrmanns. Onder de Caluwe hebben regisseurs als Stefan Herheim, Andrea Breth, Krzysztof Warlikowski en Olivier Py hun plaatsen ingenomen. Of neem het Catalaanse theatergezelschap La Fura dels Baus – en zie hoe beeldend kunstenaars verbintenissen aangaan met de opera, zoals de Chinees Zhang Huan bij Handels “Semele” in 2009, de Indiër Anish Kapoor bij Debussy’s “Pelléas et Mélisande” in 2008 en – in het afgelopen seizoen – de Italiaan Romeo Castellucci bij “Parsifal”. Dezelfde verscheidenheid zien we in de muziek. Ten laatste sinds intendant Bernard Foccroulle is De Munt een van de meest succesvolle operahuizen waar het de samenwerking met ensembles en dirigenten uit de wereld van de historische muziekpraktijk betreft. Bij hun Mozartuitvoeringen konden René Jacobs en het Freiburger barokorkest in De Munt een stap voorbij het hun kenmerkende repertoire zetten, zoals Christophe Rousset en zijn Talens Lyriques dat konden bij hun opvoering van Cherubini’s “Medée”. En daarmee komen we bij het tweede beslissende punt: het gevoel voor welk stuk bij welke kunstenaar in goede handen is. De afgelopen seizoenen hebben al laten zien dat Peter de Caluwe op dit vlak een even scherp instinct heeft als zijn voorgangers. Zijn besluit om Ligeti’s wervelende “Le Grand Macabre” aan La Fura dels Baus toe te vertrouwen bijvoorbeeld. Dat leek een gewaagde stap, aangezien de groep tot op dat moment vooral bekend was om haar visueel overdonderende, maar mogelijk ook statische manier van werken. Of neem de slotproductie van het seizoen 2009/’10, de “MacBeth” van de Poolse regisseur Krzysztof Warlikowski, die door de critici van “Opernwelt” werd uitgeroepen tot productie van het jaar 2010. Ook hier vond weer zo’n artistieke kernfusie plaats, waarbij podium en muziek, zang- en acteerprestaties naadloos in elkaar over gingen en het huis zijn eigen mogelijkheden ontgroeide. In alle eerlijkheid: dat ontgroeien van eigen mogelijkheden heeft óók te maken met het feit dat De Munt internationaal gezien niet de beste uitgangspositie heeft voor het grote muziektheater. Met zijn 1150 zitplaatsen en een begroting van goed 43 miljoen euro, met een 40-koppig koor en een orkest van 90 musici kan het huis zich amper meten met de grote jongens uit de Europese operawereld. Het historische pand zonder zijpodium en met een beperkt onderpodium verkleint de toneelmogelijkheden bovendien aanzienlijk. En natuurlijk was het het orkest, dat twee jaar zonder leiding zat, wel aan te horen wanneer er geen uitzonderlijke dirigent was die zijn krachten kon losmaken. Meestal echter kon Peter de Caluwe zulke dreigende zwaktes compenseren met zijn bezettingstalent. Met zijn keuze voor Hartmut Haenchen als dirigent voor de “Parsifal” bijvoorbeeld, en voor Marc Minkowski voor “Les Huguenots”. De twee maestri zorgden voor een muzikale weerspiegeling van de eerder genoemde spanning tussen Duitse diepzinnigheid en Frans raffinement – evenals de werken zelf overigens. Ook vanuit dit oogpunt illustreerde het afgelopen seizoen De Munts langetermijnstrategie. De tweede première van het seizoen, Janáčeks “Kát’a Kabanova”, laat prachtig zien hoe de samenstelling van een team de talenten van alle leden tot hun recht laat komen en deze tegelijkertijd – op een tot dan toe ongebruikelijke wijze – verder stimuleert. Als aan het toneel verwante opera was de “Kát’a” voor Andrea Breth toegankelijk, maar aangezien het haar eerste Janáček-enscenering was, moest ze zich toch ook inlaten met een vreemd, nieuw volk van toneelfiguren. Nog meer geldt dat voor het titelpersonage. Wie had ooit durven voorspellen dat Evelyn Herlitzius na zoveel uiterst dramatische rollen nog eens zo’n intense en tegelijk beheerste Kát’a zou vertolken? Wie had durven voorspellen dat ze Janáčeks heldin zou opvoeren als een anti-Brünnhilde, een vrouw wier emotionele energie niet naar buiten kan breken, maar zich alleen nog tegen haarzelf kan richten? Natuurlijk, zulke beslissingen dragen risico’s in zich, maar Brussel heeft de titel “Opernhaus des Jahres” juist ook verdiend voor haar moed om hoog spel te spelen. Het meest markante voorbeeld is wat dit betreft wel de beslissing om een stuk als “Parsifal” toe te vertrouwen aan een beeldend kunstenaar en toneelman zonder opera-ervaring. Maar ook het programma laat zien dat De Munt een hoge dunk heeft van zijn bezoekers: twee wereldpremières, Boesmans’ “Yvonne, Princesse de Bourgogne” en Toshio Hosokawa’s “Matsukaze”, geflankeerd door opvoeringen van Hosokawa’s “Hanjo” en het helaas stukgelopen “Intolleranza”-project. Welk huis durft zoveel modern materiaal aan – vooral ook als de drie zwaartepunten in het programma –“Kát’a”, “Parsifal” en “Les Huguenots” – allerminst vanzelfsprekende publiekstrekkers zijn? Het valt dit Stagione-huis geenszins te verwijten dat het óók voldoet aan de elementaire en immer aanwezige behoefte aan Verdi, Puccini en Mozart. Dit seizoen deed het dat deels met oudere producties (een “La Bohème” van de Komische Oper Berlin, een “La Finta Giardiniera” uit de eigen catalogus) en deels met concertante uitvoeringen (“Nabucco”) – hetgeen gezien de beperkte middelen wel de enige oplossing was. Want ook een “Opernhaus des Jahres” kan zichzelf immers niet elke dag ontgroeien. Jörg Königsdorf, 2011 |