Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Opera

Filtreren op media: 

Guillaume Tell (in concert)

Interview Evelino Pidò

De Munt - Interview Evelino Pidò

In de schiettent van Rossini’s oeuvre – achtendertig opera’s in net geen twintig jaar – steekt Guillaume Tell er zonder twijfel bovenuit. Door de evenwichtige balans tussen recitatieven, aria’s en koorpartijen, de muzikale inventiviteit, de rijke orkestratie en de trage, bespiegelende finale die emotioneel dieper gaat dan wat dan ook in diens latere Stabat Mater, groeide Guillaume Tell uit tot een van de grote meesterwerken van die tijd. De Italiaanse dirigent Evelino Pidò hield de laatste jaren geregeld halt in de Munt voor een concertante opera. Deze keer haalt hij met dit in alle opzichten reusachtig werk een ware krachttoer uit.

Guillaume Tell is Rossini’s laatste opera (1829) maar in vergelijking met de voorgaande gaat het een heel eigen weg op. Welke plaats heeft dit werk volgens u in Rossini’s evolutie?

Na de creatie van Guillaume Tell leefde Rossini nog zowat veertig jaar, maar componeerde in die hele tijd nog slechts sporadisch – onder meer zijn Petite Messe solennelle en enkele luchtige Péchés de Vieillesse – en al helemaal geen opera meer. Alle musicologen stellen zich vragen bij de lange stilte die volgde op wat zijn meesterwerk zou worden. Rossini was in die periode de grootste levende componist, niet alleen in Parijs, waar hij woonde, maar eigenlijk in de hele operawereld. Onder meer Beethoven en Wagner prezen hem als de grote maestro. Maar samen met de lofbetuigingen stegen ook de verwachtingen, zeker op het moment dat de operageschiedenis in Parijs een eigen wending nam: met de première van Aubers La Muette de Portici in 1828 beleefde de nieuwe grand opéra haar eerste triomf. Dit was de context waarin Rossini aan Guillaume Tell werkte… Allicht had de grote inspanning die deze opera had geëist, hem uitgeput en achtte Rossini zich anderzijds ook niet meer in staat dit meesterwerk ooit nog te kunnen overtreffen… Het personage van Guillaume Tell staat symbool voor de grote vrijheidsdrang van het in die tijd opkomende nationalisme, waardoor het libretto politiek en sociaal knap inspeelt op toenmalige tijdsgeest. Voor mij is deze opera een mijlpaal in de muziekgeschiedenis die imposant en hoog als een kathedraal uitrijst boven de omgeving. Elke noot is belangrijk! De aria’s en ensembles trekken natuurlijk de aandacht, maar bijvoorbeeld ook de orkestraal begeleide recitatieven, die zo dramatischdeclamatorisch getoonzet zijn, hebben gewoonweg prachtige muziek!

Was dit zo verschillend van de andere opera’s die hij componeerde?

Ja, dat was ongebruikelijk! Natuurlijk was het grand opéra, en Rossini leefde in Parijs waar de grand opéra het licht zag. Daarom schreef hij deze opera in het Frans, een bijkomende inspanning voor hem. Weliswaar had hij al werken als Le comte Ory, Le Siège de Corinthe, of Moïse et Pharaon geschreven, maar met deze opera was het anders, en iedereen zat erop te wachten…

Dit werk was immens populair in zijn tijd, maar wordt nu nog zelden opgevoerd. Waarom?

De reden ligt voor de hand. De enorme lengte en grootse scènes maken de kosten van een scenische versie extreem hoog. Daarom besloten we ook hier een concertante versie te brengen. Net zoals de grootste zangers van hun tijd de creatie zongen – de tenor Adolphe Nourrit was Arnold, Laure Cinti- Damoreau was Mathilde, en Henri-Bernard Dabadie had de titelrol – heb je bovendien ook vandaag de beste zangers nodig… en die kun je doorgaans niet strikken voor de lange repetitieperiode die een scenische versie vereist.

Functioneert dit werk goed in een concertante versie?

Het is en blijft grand opéra en een scenische versie voegt uiteraard een andere dimensie toe. Maar een concertante versie biedt het publiek tenminste de mogelijkheid het werk muzikaal te ontdekken, terwijl het ook meer garanties biedt op een degelijke casting.

Het is een immens werk met een reusachtige vocale bezetting en een groot orkest. Dit is toch een geweldige uitdaging voor een dirigent?

Ja, natuurlijk, maar het is tegelijkertijd een groot genoegen! Ik kan het alleen maar herhalen: dit werk is fantastisch mooi. Neem bijvoorbeeld de ouverture: Rossini raakt daarin zovele niveaus met onder meer een prachtige solo voor de cello. Hij stelde daarmee een voorbeeld aan iedereen, ook aan Verdi! In deze partituur vind je een sterke energie, mooie melodieën, verrassende harmonieën, en niet te vergeten een schitterend aandeel voor het koor en voor het orkest die naast de zangers zeker ook de protagonisten van deze opera zijn! Guillaume Tell is een uiterst moeilijk maar betoverend werk dat voor iedereen, niet alleen voor mij, een uitdaging is. De muziek is zo mooi dat ik me niet kan inbeelden dat iemand er niet door geroerd wordt!

Het is evident dat u voor deze uitvoering niet de Italiaanse versie maar wel de originele Franse versie verkoos…

Ja, de Italiaanse versie heb ik reeds gedirigeerd, maar het is de eerste keer dat ik de originele Franse versie dirigeer. Dit wordt dus een première voor mij! Maar de muziek blijft natuurlijk gelijk…

… terwijl uw keuze voor een integrale versie zonder coupures minder evident is voor zo’n lang werk!

We hebben geen andere coupures gemaakt dan die welke Rossini zelf toestond. Hoewel hij het werk niet zelf heeft gedirigeerd, was hij zeker aanwezig bij de repetities en ging hij akkoord met de toenmalige coupures. Na de première maakte hij zelfs nog enkele extra coupures. Uiteraard schreef hij het werk neer zoals hij het wenste, maar hij stond open voor veranderingen. Ook hij moest nu eenmaal rekening houden met de mogelijkheden en beperkingen van de zangers…

Zijn er bepaalde aspecten die u heel belangrijk vindt voor de interpretatie van dit werk en van Rossini’s oeuvre in het algemeen?

Om te beginnen moeten we een groot onderscheid maken tussen de Rossini serio en de Rossini comico. De meeste dirigenten benaderen dit op dezelfde manier, maar de klank is anders! In zijn komische werken moet alles transparanter zijn, terwijl de staccato daar een staccato brillante is. De staccato in de Rossini serio moet meer alla corda gespeeld worden, waarbij de klank voller is, rijker aan harmonieën. En ook de boogstreken zijn verschillend, want zij bepalen de frasering en die is anders in het komische dan in het ernstige genre. Maar tegelijkertijd is dit werk zeer Frans: de aria’s voor de titelrol bijvoorbeeld volgen niet het Italiaanse stramien recitatief-aria-cabaletta maar krijgen een structuur die het Franse voorbeeld van de grand opéra volgt. Daarnaast ligt er natuurlijk ook een klemtoon op de balletmuziek, zoals de Fransen dat toen graag hoorden. Dit Franse aspect bepaalt niet alleen de vorm maar ook de klankkleur.

Onze huidige orkestinstrumenten hebben niet meer dezelfde klank en intensiteit als in de tijd van Rossini. Levert dit balansproblemen op?

Nee, hoewel wij nu natuurlijk een ander fortissimo gebruiken dan in de tijd van Rossini, blijft de impact daarvan gelijk. Het is belangrijk om de intentionele kracht te behouden, maar de dynamiek te verminderen, zodat de zangers niet overstemd worden. Muziek is natuurlijk ook verticaal, bijvoorbeeld in de houtblazers is een fortissimo haalbaar, maar in de koperblazers is dan weer voornamelijk het timbre belangrijk: daar is een mezzoforte vaak al genoeg om hun specifieke klankkleur te laten uitkomen. Hetzelfde geldt voor het slagwerk. Het is heel belangrijk dat het orkest hiermee rekening houdt.

U straalt een ongelooflijk enthousiasme uit voor deze muziek…

Ik zei al: dit is voor mij als een kathedraal! Laat me slechts één voorbeeld geven: de finale vind ik een van de mooiste stukken die ooit werden geschreven. Met de eenvoudigste middelen – een ostinato van drie tonen, verbonden met een fioritura en een melodie voor de vrijheid – schept Rossini hemelse muziek. Dit is Rossini niet meer, dit is God!

Opgetekend door Reinder Pols

article - 20.2.2014

 

Guillaume Tell (in concert)
Opera

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt
Keep the
lights on!