La Monnaie ¦ De Munt

Interview Alain Altinoglu

De Munt - Interview Alain Altinoglu

Na het grote succes met Massenets Cendrillon vorig seizoen, komt Alain Altinoglu terug naar de Munt voor een symfonisch programma vol Franse muziek. Met Chausson, Fauré en Ravel gidst hij ons doorheen de evoluties van het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw. Geboren en getogen in Parijs, incarneert hij de Franse traditie en is hij de uitgelezen persoon om het Symfonieorkest van de Munt te leiden in het typisch Franse orkestcoloriet.

U brengt een programma met werken uit de periode tussen 1890 tot 1930, van romantiek tot modernisme. Dit is een periode waarin er veel in beweging was in de Franse muziek…

Zeker, en niet alleen in de muziek, maar in alle kunsten! Bovendien hadden de vele artistieke stromingen in die tijd, vanaf het impressionisme, een grote invloed op de rest van de wereld. Ik vind het boeiend om te tonen vanwaar men komt en waarheen men gaat, zeker als ik ook nog eens kan aanwijzen hoe de traditie van leraar op leerling wordt doorgegeven. De symfonie van Chausson, nog vrij klassiek qua structuur, evolueert bij Fauré en later ook bij Ravel, die bij Fauré studeerde, op harmonisch vlak. Ik vind het interessant te bekijken hoe het vocabularium wordt aangepast en de orkestratie verandert!

Waarom hebt u juist deze drie werken gekozen?

Pelléas et Mélisande van Maurice Maeterlinck loopt als een rode draad doorheen de Muntprogrammering. Niet alleen Debussy’s opera, maar ook Schoenbergs symfonisch gedicht staan dit jaar op het programma. Daarom was Pelléas et Mélisande van Fauré voor mij een evidente keuze. Vanuit dit werk wilde ik mijn programma in twee richtingen uitbouwen. Enerzijds vooruitwijzend naar de latere muziek via Ravels Boléro, een werk dat voor het orkest heel dankbaar is omdat elke orkestpupiter er individueel aan bod komt en de solo’s elkaar opvolgen. En anderzijds, terugkijkend, is de Symphonie van Chausson een miskende parel. Ik houd veel van dit werk met die prachtige tweede beweging. Chausson is al te lang voor een amateur gehouden, misschien omdat hij een andere job had of omdat hij pas laat – hij was bijna veertig – voor de muziek koos. Maar zijn muziek is absoluut fantastisch!

Is de Symphonie van Chausson nu niet juist een atypisch voorbeeld voor de Franse muziek van de negentiende eeuw omwille van de “germaanse” invloeden?

Zeker, bij Chausson voel je duidelijk de invloeden van de twee scholen die het einde van de negentiende eeuw beheersten. Er is zowel de invloed van Massenet, van wie hij leerling was, als de invloed van César Franck, bij wie Richard Wagner doorklinkt… Er was in die tijd niet weinig rivaliteit tussen de Franckisten en de anderen. En Chausson heeft zich duidelijk bij het Franckistische kamp aangesloten, mede door zijn gebruik van het zgn. “cyclische principe”: een meermaals terugkerend motief dat hij niet echt als een leidmotief maar toch als structurerend principe gebruikt. Wagners invloed is overduidelijk in Chaussons opera Le Roi Arthus, die haast een Franse Tristan is, maar er klinkt ook wat van door in deze Symphonie. Er zijn veel raakpunten van dit werk met de Symphonie van Franck, maar die van Chausson klinkt mij toch Franser in de oren: bij Franck heb je meer een “germaanse” klank met een massievere orkestratie, terwijl Chausson meer helderheid zoekt in de klankkleuren en ietsje luchtiger is.

Net als Debussy heeft Fauré zich laten inspireren door Maurice Maeterlinck…

Ja, en zo ook Chausson, die zijn liedcyclus Serres chaudes geschreven had op teksten van Maeterlinck. Je zou denken dat de gelijkenis tussen Debussy en Fauré sterker is omdat ze beiden dezelfde tekst van Maeterlinck als uitgangspunt nemen, maar eigenlijk hebben beide werken totaal niets met elkaar te maken, het zijn twee totaal verschillende, bijna niet te vergelijken werelden! Debussy laat de tekst van Maeterlinck zingen, terwijl Fauré uit de sfeer een orkestsuite put (Fauré’s éne gezongen fragment op tekst van Maeterlinck is in de orkestsuite gecoupeerd.) Niet alleen de tekst, maar ook hun muzikale taal is totaal verschillend. Fauré blijft veel klassieker, terwijl Debussy vernieuwend is. Maar het formele classicisme dat goed overeenkomt met de geest van het stuk, vind ik juist zo mooi bij Fauré. Hij heeft daar heel beknopte melodieën gevonden die recht naar het hart gaan en ook zijn spel met klankkleuren blijft nog lang nagalmen in je oor.

En na de ingetogen wereld van Fauré’s Pelléas brengt u het vuurwerk van Ravels Boléro…

Dit werk hoef ik uiteraard niet voor te stellen, dit moet een van de meest populaire werken uit het hele klassieke repertoire zijn. Ravel is een van de weinige componisten van wie je kan zeggen dat hij uitsluitend meesterwerken geschreven heeft. Hij componeerde traag maar zeer doordacht. Over de Boléro bleef hij zelf erg bescheiden; hij had zich zeker niet aan zo’n succes verwacht. Maar dat grote crescendo met hetzelfde thematische idee van het begin tot het einde heeft een enorme kracht. Het principe is heel simpel: de trom geeft de hele tijd hetzelfde ritme aan en daarboven ontwikkelt het orkest één thema. Dat is een procedé dat al eeuwen bestaat. Maar het is en blijft een belevenis om je door dit ongelooflijke crescendo te laten meeslepen.

Opgetekend door Reinder Pols