Fr  |  Nl  |  En

MyMM




Newsletter

Voornaam
Naam
E-mailadres

Filtreren op media: 

Jenůfa

Interview Ludovic Morlot

De Munt - Interview Ludovic Morlot

Met Jenůfa brak Leoš Janáček definitief door als componist van muziektheater, een genre waarin hij de spraakmelodie toepaste als “de meest waarachtige uitdruk- king van de ziel”. Niettegenstaande de traditionele folklore een duidelijke inspi- ratiebron was voor deze opera, schreef Janáček op het kruispunt van de roman- tiek en de moderniteit een partituur die zijn tijd vooruit was. Chef-dirigent van de Munt Ludovic Morlot dirigeert zijn tweede opera dit seizoen.

Waarom hebt u voor Janáček gekozen, waarom Jenůfa?

Deze opera staat in mijn persoonlijke top tien! Het is originele, complexe et fascinerende muziek. Volgens mij was Janáček zijn tijd vooruit, en ik beschouw hem als een van de voorlopers van het modernisme, net zoals Debussy. Jenůfa mag als zijn eerste echte opera worden beschouwd – de eerste die succes oogstte – maar het is een erg dramatisch werk. en het is ook een heel aantrekkelijke opera door het hoofdthema: de jaloezie, zowel amoureus als mate- rieel. Dat sterke, universele thema – jaloezie die families geselt – maakt van Jenůfa een opera die je vlot naar een andere tijd kunt ‘vertalen’, en een heel toegankelijk werk.

Hoewel het een heel hard verhaal is.

Ja, maar in de operawereld houdt men wel van harde verhalen! aangezien ze sterke symbolen bevatten, herkennen vele mensen zich erin.

En op muzikaal gebied?

Muzikaal zijn er minder herkenningspunten, maar toch meer dan in vele andere composities van Janáček. Dit werk bevat vele ontleningen aan werken die hij vroeger had geschreven, vooral in het eerste bedrijf, dat hij vijf jaar eerder dan de twee andere bedrijven schreef. Wat betreft de schriftuur valt het werk te situeren in de jaren die gekenmerkt werden door de breuk met de romantiek en de opening naar het twintigste-eeuwse modernisme. een sleutelwerk in die ommekeer is bijvoorbeeld Prélude à l’après-midi d’un faune van Debussy. Jenůfa valt bijna samen met die ‘overgang’. Janáček componeert door motieven naast elkaar te plaatsen, meer dan door te steunen op een muzikale ontwikkeling, maar de klank is toch nog erg naar de late negentiende eeuw gekeerd.

De woelige ontstaansgeschiedenis van Jenůfa is bekend. Janáček had het in het algemeen moeilijk om door te breken als operacomponist.

Hij stond inderdaad meer bekend om zijn onderwijs en zijn etnografisch onderzoek. Hij had het erg lastig om Jenůfa in Praag een eerste keer opgevoerd te krijgen. Pas na talrijke tussenkomsten van vrienden en kennissen, en nadat hij de toestem- ming had gegeven om de partituur te bewerken, aanvaardde de directeur van het theater in Praag, Kovařovic, om Jenůfa op te voeren, twaalf jaar na de première in Brno.

Er wordt soms gezegd dat Jenůfa de meest ‘Moravische’ opera van Janáček is. Welke sporen hebben zijn onderzoek naar de volksmuziek in deze opera nagelaten?

Die sporen verschijnen in de eerste plaats in de koorpassages en de dansscènes. Wat mij enorm boeit, is de analo- gie tussen het ritme van de muziek en dat van de taal – die voor Janáček enorm belangrijk was. (een vertolker die de taal niet kent, loopt het gevaar bepaalde nuances te missen. Ik heb daarom besloten me te omringen met een team dat dit facet kan invullen.) Die analogie maakt het ritme in de muziek van Janáček uniek. Je vindt het hier en daar bij Martinů, en soms ook al bij Dvořák, maar bij Janáček houdt het ritmisch discours direct verband met de taal. en op die manier komen we nog dichter in de buurt van de Moravische en Tsjechische folklore. Dat hortende ritme maakt zijn partituren trouwens soms moeilijk om uit te voeren. Bovendien betrachtte hij zowel voor het orkest als voor de zang een nogal ‘uitgerekte’ schriftuur inzake tessituur. De harmonieën in zijn muziek zijn in zekere zin heel moder- nistisch. Dat geldt vooral voor de opeenvolging van akkoorden, want – zoals bekend – plaatste Janáček liever korte motieven naast elkaar dan die uitgebreid uit te werken. Onlangs heb ik het geluk gehad een symfonie van Dvořák te mogen uitvoeren met het Tsjechisch filharmonisch Orkest. Hun erg gearticuleerde spel, met sterke en korte accenten, zoals je dat ook in de Tsjechische taal hoort, heeft me echt verrast! en het heeft me ook een andere dimensie van de Tsjechische muziek laten zien: lichtheid en helderheid, tussen een ‘klassieke’ articulatie en een moderne manier van inzetten.

Maar modernisme was voor Janáček geen doel op zich?

nee, het hield vooral verband met de volksmuziek. Men vergeet vaak hoe modern die is in haar schriftuur, zowel vanuit ritmisch als vanuit harmonisch en melodisch oogpunt. Het folkloristisch materiaal kan complex lijken omdat het buiten het gebruikelijke formaat en harmonische schema van de schriftuur staat. Maar de complexiteit is vooral een gevolg van het noteren van een orale traditie in een schrift dat zich er niet toe leent. De complexiteit verbergt bijgevolg een terugkeer naar de eenvoud. In de koren zitten bijvoorbeeld zowel ritmisch als harmonisch behoorlijk gewaagde passages, terwijl het uiteindelijk om een terugkeer naar de bron gaat.

We mogen Janáček dus niet situeren tussen folklo- risme en modernisme, maar moeten het veeleer heb- ben over modernisme ‘door’ folklorisme?

Ja, precies. Het gaat meer om een ‘transformatie’ van basismateriaal. In West-europa missen we misschien dat instinctieve aanvoelen van de Tsjechische muziek, van haar taal. Maar het concept van het ‘herkennen’ (van een bepaalde orde of wanorde) in muziek geldt ook voor andere landen. Tsja, het nationalisme in de muziek...

In deze nieuwe productie kiest u voor de versie van 1908, die werd gepubliceerd door John Tyrrell en Charles Mackerras. Waarom?

Deze versie van 1908, die bestaat dankzij de inspanningen van Tyrrell en Mackerras, heeft inmiddels een zeker gezag verworven, aangezien er zoveel mogelijk revisies van Janáček zelf in zijn opgenomen. Intussen hebben we weliswaar stilaan zekerheid over hoe de eerste versie eruitzag, die van de première in Brno in 1904. De latere versies interesseren me min- der. Ze zijn niet echt door Janáček zelf beïnvloed, aangezien de Tsjeschische dirigent en componist Karel Kovařovic de partituur had herschreven voor de voorstelling in Praag in 1916. Het is heel interessant dat we nu de versie van 1904 kunnen raadple- gen, die meer details bevat, maar die van 1908 heeft een mooie structuur, die goed werkt, en een sterke samenhang, die ik heel pertinent vind. Het einde van het verhaal komt wel nogal plots, een beetje als in een Hollywood-script! Je kan je makkelijk een vervolg op de opera inbeelden: welk leven staat Jenůfa en Laca te wachten? Zullen Števa en Karolka trouwen? Het einde is tegelijk heel apart en schitterend–het zit vol licht en lijkt uitzicht op iets te bieden... er bestond al een hele wereld voor deze opera, en je kunt je ook een hele wereld erna voorstellen. In het toneelstuk van Gabriela Preissová dat aan de basis lag van het libretto van Janáček, is de stamboom van de personages heel complex. Maar in de opera begrijp je zonder moeite wie wie is en welke relaties de verschillende personages met elkaar onderhouden. Het verhaal dat eraan voorafgaat, maakt de opera nog fascinerender, terwijl hij zo al erg sterk is. Ook hier vind ik dat je Jenůfa instinctief en meteen kunt appreciëren, zoals een goed filmscenario.

Voelde Janáček zich om persoonlijke redenen aan- getrokken tot dit verhaal, en tot andere familiegeschiedenissen?

Hij leed enorm onder het verlies van zijn twee kinderen: zijn zoon Vladimir overleed zeer jong, zijn dochter Olga toen ze 21 was, ten tijde van de compositie van Jenůfa, een werk dat aan haar is opgedragen. We kunnen ons voorstellen dat Janáček in die verschrik- kelijke fase van zijn leven troost heeft gevonden in het beschrijven en verkennen van de tragedie van Jenůfa.

Opgetekend door Marie Mergeay

article - 10.12.2013

 

Jenůfa
Opera

 Drukken

La Monnaie ¦ De Munt